Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspens чл. 40Eisen aan de toezichthouder
Hoofdstuk 8 Toedeling taken toezichthouders Bepalingen ter uitvoering van de artikelen 114, tweede lid , 151, zevende lid en 204, vijfde lid, van de Pensioenwet en de artikelen 113a, tweede lid , 146, zevende lid en 198, vijfde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling
1 De toezichthouder richt zijn organisatie zodanig in dat de uitvoering van het toezicht onafhankelijk kan plaatsvinden.
2 De toezichthouder beschikt over een beleid met betrekking tot het vervullen van nevenbetrekkingen. Dit beleid richt zich op het voorkomen van nevenbetrekkingen die ongewenst zijn met het oog op een goede vervulling van de functie of de handhaving van de onafhankelijkheid.
3 De toezichthouder besteedt de oordeelsvorming en de toepassing van handhavinginstrumenten niet uit.
4 De toezichthouder beschikt over een beschrijving van de administratieve organisatie en over een systeem van periodieke interne controle.