Besluit ex artikel 11 Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oo Art. 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
"de wet": de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers ;
«de Sociale verzekeringsbank»: de Sociale verzekeringsbank, genoemd in hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen ;
"gepensioneerde": degene, aan wie een buitengewoon pensioen is toegekend;
«kortingsinkomen»: het totaal van het inkomen uit werk en woning, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, onderdelen a tot en met e, van de Wet IB 2001 , en de feitelijke inkomsten uit sparen en beleggen, verminderd met:
a. indien loon wordt genoten het hoogste van de uit de toepassing van de volgende onderdelen voortvloeiende bedragen: 1°. bij loon uit tegenwoordige dienstbetrekking: 12% van dat loon, maar niet minder dan € 119 per jaar en niet meer dan € 1605 per jaar; 2°. bij loon uit vroegere dienstbetrekking: € 487 per jaar, en b. het bedrag van het over het jaar 2000 toegepaste reiskostenforfait tot een maximum van € 939 per jaar,
met dien verstande evenwel, dat, in afwijking van artikel 2.17 van de Wet IB 2001 ,
alle bestanddelen van het inkomen van een gehuwde, niet duurzaam gescheiden van haar man levende vrouw worden aangemerkt als bestanddelen van het inkomen van haar man;
"kinderbijslag": kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet of enige andere daarmede gelijk te stellen wettelijke regeling buiten het Rijk in Europa.
Änderungsgeschichte
- In werking sinds 2011-01-01