Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 Art. 10
§ 3 De uitkering
1 De uitkering bedraagt een percentage van de ingevolge artikel 8 vastgestelde grondslag, en wel: a. 85% voor de gehuwde vervolgde, tenzij het bepaalde onder b van toepassing is; b. 75% voor de gehuwde vervolgde, indien het inkomen van de echtgenoot, inkomsten uit vermogen daaronder niet begrepen, meer bedraagt dan 30% van het bedrag, bedoeld in artikel 8, zevende lid, onder b ; c. 80% voor de ongehuwde vervolgde met minderjarige kinderen; d. 75% voor de alleenstaande vervolgde; e. 75% voor de weduwe en de weduwnaar van de vervolgde met minderjarige kinderen, met dien verstande dat de uitkering ten hoogste wordt bepaald op een bedrag van € 2.533,89 per maand per 1 juli 1976 per 1 juli 2026: € 4.365,42 ; f. 70% voor de weduwe en de weduwnaar van de vervolgde zonder minderjarige kinderen, met dien verstande dat de uitkering ten hoogste wordt bepaald op een bedrag van € 2.357,75 per maand per 1 juli 1976 per 1 juli 2026: € 4.061,99 .
2 a. De percentages, genoemd in het eerste lid, onder a, b, c en d, worden met 15 verminderd met ingang van de dag waarop de uitkeringsgerechtigde de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet , bereikt. b. De percentages, genoemd in het eerste lid, onder e en f, worden met 20 verminderd met ingang van de dag waarop de uitkeringsgerechtigde de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet , bereikt.
3 In de in het eerste lid onder a, b, c en d genoemde percentages is een toeslagpercentage van 5 begrepen. Deze toeslag bedraagt niet minder dan een bedrag overeenkomende met 10% van de grondslag genoemd in artikel 8, zevende lid, onder a .
4 Bij overlijden van de echtgenoot van de vervolgde blijft het uitkeringspercentage ongewijzigd tot en met de laatste dag van de maand, volgende op die, waarin het overlijden heeft plaatsgevonden.
Änderungsgeschichte
- In werking sinds 2026-07-01