Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag · Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag
Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag Art. 32
Hoofdstuk III Dwang- en strafbepalingen
1 Bij het opsporen van een bij deze wet strafbaar gesteld feit hebben de opsporingsambtenaren toegang tot elke plaats, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is.
2 De ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, zijn bevoegd zich bij het betreden door andere personen te doen vergezellen.