Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen · Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen
Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen Art. 42
Hoofdstuk VIII Contact met de buitenwereld
1 Artikel 41, derde en vierde lid , is niet van toepassing op brieven door de jeugdige gericht aan of afkomstig van: a. leden van het Koninklijk Huis; b. de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal, leden daarvan, de Nederlandse leden van het Europese Parlement of een commissie uit een van beide parlementen; c. Onze Minister; d. justitiële autoriteiten; e. de Nationale ombudsman; f. de inspecteurs van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd; g. de Raad, een commissie daaruit of leden of buitengewone leden daarvan; h. de commissie van toezicht, een beklagcommissie, of leden daarvan; i. organen, of leden daarvan, die krachtens een wettelijk voorschrift of een in Nederland geldend verdrag: 1°. bevoegd zijn tot kennisneming van klachten of behandeling van met een klacht aangevangen zaken; dan wel 2°. zijn belast met het houden van toezicht op justitiële jeugdinrichtingen; j. diens rechtsbijstandverlener; k. diens reclasseringsmedewerker of medewerkers van de gecertificeerde instelling; l. diens ouders of voogd, stiefouder of pleegouders, behoudens ingeval zwaarwegende belangen van de jeugdige zich daartegen verzetten; m. andere door Onze Minister of de directeur aan te wijzen personen of instanties.
2 Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent de wijze van verzending van brieven aan en door de in het eerste lid genoemde personen en instanties.
Änderungsgeschichte
- In werking sinds 2021-01-01