Wet lidmaatschap koninklijk huis · Wet lidmaatschap koninklijk huis
Wet lidmaatschap koninklijk huis Art. 1
Met de Koning als hoofd van het koninklijk huis zijn daarvan lid:
a. zij die krachtens de Grondwet de Koning kunnen opvolgen en deze niet verder bestaan dan in de tweede graad van bloedverwantschap; b. de vermoedelijke opvolger van de Koning; c. de Koning die afstand van het koningschap heeft gedaan.