Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens · Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens
Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens Art. 39r
Afdeling 4 Bepalingen betreffende klachten, controle en toezicht
1 De artikelen 26a tot en met 26h en 27, eerste en tweede lid , zijn van overeenkomstige toepassing op strafvorderlijke gegevens.
2 De artikelen 35a , 35b en 35d, van de Wet politiegegevens zijn van overeenkomstige toepassing op strafvorderlijke gegevens.
3 De Autoriteit persoonsgegevens is bevoegd: a. de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker te waarschuwen dat met de voorgenomen verwerkingen waarschijnlijk een inbreuk wordt gemaakt op het bij of krachtens deze wet bepaalde; b. een last onder bestuursdwang op te leggen ter handhaving van het bij of krachtens deze wet bepaalde; c. een bestuurlijke boete op te leggen indien de verwerkingsverantwoordelijke handelt in strijd met hetgeen is bepaald bij of krachtens: – de artikelen 39c, eerste lid , voor wat betreft de overeenkomstige toepassing van de artikelen 7 , 7a , 7b en 7d in dat lid, en 39r, eerste lid , voor wat betreft de overeenkomstige toepassing van de artikelen 26c , 26f , 26g en 26h , in dat lid van ten hoogste het bedrag van de geldboete van de vijfde categorie van artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht ; – de artikelen 39c, eerste lid , voor wat betreft de overeenkomstige toepassing van artikel 7e in dat lid, 39ha, eerste en tweede lid , 39i , 39m en 39o , van ten hoogste het bedrag van de geldboete van de zesde categorie van artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht ; d. een advies te verstrekken aan de verwerkingsverantwoordelijke naar aanleiding van een voorafgaande raadpleging, bedoeld in artikel 26h ; e. de verwerkingsverantwoordelijke te verplichten een inbreuk in verband met persoonsgegevens te melden aan de betrokkene.
4 Artikel 27, vijfde lid , is van overeenkomstige toepassing.
5 De werking van de beschikking tot oplegging van de bestuurlijke boete, bedoeld in het derde lid, onder c, wordt opgeschort totdat de bezwaar- of beroepstermijn is verstreken of, indien bezwaar is gemaakt respectievelijk beroep is ingesteld, op het bezwaar respectievelijk het beroep is beslist.
6 De bevoegdheden, bedoeld in het derde lid, onderdelen d en e, gelden als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht .
Änderungsgeschichte
- In werking sinds 2019-05-01