Rechtsbibliothek und Fallanalyse · Österreich · Belgien · Europäische Union
LAWxPERT Anmelden Kostenloses Konto

Wet op het financieel toezicht · Wet op het financieel toezicht

Wet op het financieel toezicht Art. 2:21

§ 2.2.2.3 Vergunningplicht en -eisen voor ondernemingen met zetel in een staat die geen lidstaat is

In KraftAmtlicher Text

1 De Nederlandsche Bank verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 2:20, eerste lid , indien de aanvrager aantoont dat hij in de staat van zijn zetel bevoegd is tot de uitoefening van zijn bedrijf en dat zal worden voldaan aan het bepaalde ingevolge: a. artikel 3:8 met betrekking tot de geschiktheid van de in dat artikel bedoelde personen; b. artikel 3:9 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat artikel genoemde personen; c. artikel 3:10, eerste en tweede lid , met betrekking tot het beleid met betrekking tot de integere bedrijfsuitoefening; d. artikel 3:17, eerste en tweede lid , met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering; e. artikel 3:21 met betrekking tot het minimum aantal personen dat het dagelijks beleid van het bijkantoor bepaalt en de plaats van waaruit zij hun werkzaamheden verrichten; f. artikel 3:46 met betrekking tot het prudentieel toezicht in de staat van de zetel; g. artikel 3:53, eerste en derde lid , met betrekking tot het minimum eigen vermogen; h. artikel 3:57, eerste en tweede lid , met betrekking tot de solvabiliteit; i. artikel 3:63, eerste en tweede lid , met betrekking tot de liquiditeit; en j. artikel 3:75 met betrekking tot een afzonderlijke boekhouding, met dien verstande dat voor de toepassing van de onderdelen a tot en met d en i in de genoemde artikelen voor «een bank in Nederland» telkens moet worden gelezen: «het bijkantoor in Nederland van een bank met zetel in een staat die geen lidstaat is».

2 De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.

3 De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het eerste lid, aanhef en onderdeel c of d, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die de in het eerste lid genoemde artikelen beogen te bereiken anderszins worden bereikt.

Änderungsgeschichte
  • In werking sinds 2014-08-01