Wet op het financieel toezicht · Wet op het financieel toezicht
Wet op het financieel toezicht Art. 2:49
§ 2.2.4.1 Vergunningplicht en -eisen voor verzekeraars met beperkte risico-omvang met zetel in Nederland
1 De Nederlandsche Bank verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 2:48 indien de aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde ingevolge: a. artikel 3:8 met betrekking tot de geschiktheid van de in dat artikel bedoelde personen; b. artikel 3:9 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat artikel genoemde personen; c. artikel 3:10, eerste en tweede lid , met betrekking tot het beleid met betrekking tot de integere bedrijfsuitoefening; d. artikel 3:15, eerste en tweede lid , met betrekking tot het minimum aantal personen dat het dagelijks beleid bepaalt en de plaats van waaruit zij hun werkzaamheden verrichten; e. artikel 3:16, derde lid , met betrekking tot de zeggenschapsstructuur; f. artikel 3:17, eerste en tweede lid , met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering; g. artikel 3:19, eerste lid , met betrekking tot het minimum aantal leden van de raad van commissarissen; h. artikel 3:20 met betrekking tot de rechtsvorm; i. artikel 3:53, eerste tot en met vierde lid , met betrekking tot het minimum eigen vermogen; j. artikel 3:57, eerste tot en met derde lid , met betrekking tot de solvabiliteit; en k. artikel 3:70, eerste lid , met betrekking tot het boekjaar.
2 De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
3 De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het eerste lid, aanhef en onderdeel c, d, f, g of k, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die de in het eerste lid genoemde artikelen beogen te bereiken anderszins worden bereikt.
Änderungsgeschichte
- In werking sinds 2016-01-01