Uitvoeringswet grondkamers · Uitvoeringswet grondkamers
Uitvoeringswet grondkamers Art. 3
Hoofdstuk 1 Samenstelling en werkwijze van de grondkamers en van de centrale grondkamer
1 Wij benoemen en ontslaan de voorzitter, de plaatsvervangende voorzitter, de leden, de secretaris alsmede de plaatsvervangende leden en de plaatsvervangende secretarissen.
2 De leden en de plaatsvervangende leden worden benoemd voor de tijd van vijf jaren. Zij zijn bij hun aftreden opnieuw benoembaar. Op eigen verzoek kunnen zij door Ons worden ontslagen.
3 Voor de benoeming van een lid of van een plaatsvervangend lid maakt de grondkamer een aanbeveling op.
4 Bij de benoeming van de leden en de plaatsvervangende leden dragen Wij zorg, dat in de grondkamer het belang van de pachters, noch dat van de verpachters overheerst.
5 De in het eerste lid bedoelde personen worden voor de aanvang hunner bediening beëdigd.
6 Bij het bereiken van de ouderdom van zeventig jaren wordt aan de voorzitter, de plaatsvervangende voorzitter, de leden en plaatsvervangende leden ontslag verleend met ingang van de eerstvolgende maand.
Änderungsgeschichte
- In werking sinds 2012-07-01