Regeling voertuigen · Regeling voertuigen
Regeling voertuigen Art. 8.4.41
§ 6 Remvertragingsmeters
Een resulterende meetwaarde is representatief voor de gemeten remvertraging, indien:
a. in de meetperiode zich uitsluitend meetwaarden bevinden die verkregen zijn terwijl het voertuig in beweging is; b. de maximale waarde van de remvertraging van een bewegend voertuig binnen de meetperiode valt; onder deze maximale waarde wordt niet verstaan een piekwaarde die aan het begin of aan het einde van de remproef zou kunnen optreden; c. de resulterende meetwaarde wordt berekend door middeling van zes achtereen verkregen meetwaarden: 1°. bepaal de maximale meetwaarde van de remvertraging gedurende de meetperiode (te noemen a m ); 2°. bepaal met een interval van 0,1 seconde de vijf gemeten waarden direct vóór de maximale meetwaarde (te noemen a 1 , a 2 , a 3 , a 4 en a 5 ) en de vijf gemeten waarden direct na de maximale meetwaarde (te noemen a 6 , a 7 , a 8 , a 9 en a 10 ); 3°. voer de volgende zes berekeningen uit: i. (a 1 +a 2 +a 3 +a 4 +a 5 +a m )/6; ii. (a 2 +a 3 +a 4 +a 5 +a m +a 6 )/6; iii. (a 3 +a 4 +a 5 +a m +a 6 +a 7 )/6; iv. (a 4 +a 5 +a m +a 6 +a 7 +a 8 )/6; v. (a 5 +a m +a 6 +a 7 +a 8 +a 9 )/6; vi. (a m +a 6 +a 7 +a 8 +a 9 +a 10 )/6; 4°. de hoogste van de onder 3° berekende waarden geldt als de resulterende meetwaarde, waarbij uitsluitend de berekende waarden in beschouwing worden genomen die opgebouwd zijn uit meetwaarden die ten minste gelijk zijn aan 75% van de maximale meetwaarde. d. het grootste verschil tussen de meetwaarden, verkregen vanaf 0,5 seconde vóór de meetperiode tot 0,5 seconde na de meetperiode, maximaal 1 m/s 2 bedraagt.
Änderungsgeschichte
- In werking sinds 2018-01-01