Burgerlijk Wetboek BES Boek 5 · Burgerlijk Wetboek BES Boek 5
Burgerlijk Wetboek BES Boek 5 Art. 75
Titel 6 Erfdienstbaarheden
1 De eigenaar van het heersende erf is bevoegd om op zijn kosten op het dienende erf alles te verrichten wat voor de uitoefening van de erfdienstbaarheid noodzakelijk is.
2 Hij is eveneens bevoegd om op zijn kosten op het dienende erf gebouwen, werken en beplantingen aan te brengen, die voor de uitoefening van de erfdienstbaarheid noodzakelijk zijn.
3 Hij is verplicht het door hem op het dienende erf aangebrachte te onderhouden, voor zover dit in het belang van het dienende erf nodig is; hij is bevoegd het weg te nemen, mits hij het erf in de oude toestand terugbrengt.
4 De eigenaar van het dienende erf heeft geen recht van gebruik van de gebouwen, werken en beplantingen die daarop door de eigenaar van het heersende erf rechtmatig zijn aangebracht.
5 In de akte van vestiging kan van het eerste tot en met vierde lid worden afgeweken.
6 In geval van mandeligheid zijn in de plaats van het derde en het vierde lid de uit dien hoofde geldende regels van toepassing.