Regeling doormandatering korpsbeheer politie en brandweer BE Art. 7
Paragraaf 2 bevoegdheden directeur-generaal Politie inzake brandweerkorps
1 Het mandaat van de directeur-generaal Politie op grond van artikel 4 strekt zich in ieder geval uit tot: a. besluitvorming tot het aanstellen, het bevorderen, het schorsen, het opleggen van disciplinaire maatregelen en het ontslaan van ambtenaren die zijn of worden geplaatst het brandweerkorps; b. besluitvorming tot bezoldiging en het toekennen van vergoedingen en toelagen van ambtenaren die zijn of worden geplaatst bij het brandweerkorps; c. de beëdiging van ambtenaren die zijn geplaatst bij het brandweerkorps; d. het voeren van functioneringsgesprekken en de daarop gebaseerde beoordelingen van de ambtenaren die zijn geplaatst bij het brandweerkorps; e. het toekennen en intrekken van enigerlei vorm van vakantie en verlof aan ambtenaren die zijn geplaatst bij het brandweerkorps; f. het vertegenwoordigen van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties namens de Staat der Nederlanden in gerechtelijke procedures met betrekking tot een personele aangelegenheid van het brandweerkorps; g. het sluiten van dienstverleningsovereenkomsten met derden ten behoeve van het brandweerkorps.
2 De directeur-generaal Politie wordt toegestaan ten aanzien van de bevoegdheden bedoeld in artikel 4 ondermandaat te verlenen aan de algemeen commandant van het brandweerkorps, met uitzondering van de bevoegdheden genoemd in het eerste lid onder g.