Regeling indienststelling spoorvoertuigen 2020 · Regeling indienststelling spoorvoertuigen 2020
Regeling indienststelling spoorvoertuigen 2020 Art. 20Tijdelijke gebruiksvergunning
§ 3 Procedureel kader indienststelling
1 De minister verleent slechts een tijdelijke gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 26r, eerste lid, van de wet , indien veilig gebruik van de spoorvoertuigen en de compatibiliteit van de spoorvoertuigen met de hoofdspoorweginfrastructuur gewaarborgd is.
2 Bij een aanvraag voor een tijdelijke gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 26r, eerste lid, van de wet , wordt in ieder geval bijgevoegd: a. de motivering van de noodzaak voor de aanvraag; b. de volgende informatie over de in te zetten spoorvoertuigen; i. identificatienummers; ii. indien aanwezig een kopie van de laatst afgegeven voertuigvergunning; iii. indien aanwezig reeds eerder toegekende ontheffingen; c. de volgende informatie over het voorziene gebruik van de spoorvoertuigen; i. inzetgebied; ii. de inzettermijn; d. in voorkomend geval, de omvang van afwijkingen van een reeds verleende vergunning of geldende verplichting; e. alle redelijk voorzienbare risico’s; en f. de in te zetten risicobeheersmaatregelen.
3 De informatie, bedoeld in het tweede lid, gaat, voor zover deze beschikbaar is, vergezeld van: a. een of meerdere certificaten afgegeven door conformiteitsbeoordelingsinstanties als bedoeld in artikel 26u, eerste lid , en artikel 26v, eerste lid, van de wet ; b. een verklaring van de aanvrager als bedoeld in artikel 16 van uitvoeringsverordening (EU) 402/2013 , die is opgesteld op basis van een veiligheidsbeoordelingsverslag van beoordelingsinstanties als bedoeld in artikel 7 van uitvoeringsverordening (EU) 402/2013 .
Änderungsgeschichte
- In werking sinds 2026-01-01