Regeling Open oproep Cultuureducatie en digitale technologie Art. 1.5Subsidiabele kostenposten
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
1 Alleen kosten die direct verband houden met de activiteiten of het project komen in aanmerking voor subsidiëring.
2 Naast de in lid 1 genoemde kosten kan op grond van deze regeling ook subsidie worden verleend aan of voor: a. materiële investeringskosten met een maximale hoogte van 10% van het totaal aangevraagde subsidiebedrag voor aanvragers in het Europees deel van Nederland en 20% voor aanvragers in het Caribisch deel van het Koninkrijk van het totaal aangevraagde subsidiebedrag; b. kosten voor het omwisselen van valuta die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het project door aanvragers die gevestigd zijn in het Caribisch deel van het Koninkrijk; c. kosten voor fondsenwerving met een maximale hoogte van 5% van het totaal aangevraagde subsidiebedrag; d. vertaalkosten die de subsidieaanvrager heeft gemaakt voor het opstellen van de aanvraag tot maximaal 5% van het totaal aangevraagde subsidiebedrag; e. vacatiegelden voor de leden van de raad van toezicht of de toezichthoudende bestuurders; en f. kosten voor deelname aan het kennisdelingstraject zoals bedoeld in artikel 1.8 .
3 Op grond van deze regeling kan geen subsidie worden verleend aan of voor: a. een onvoorziene kostenpost op de begroting; b. kosten voor leden van de raad van toezicht of de toezichthoudende bestuurders die uitvoerend betrokken zijn bij de activiteit of het project.
4 Het Fonds verstrekt alleen subsidie als de aanvrager: a. aantoont dat er een begrotingstekort is en dat ondersteuning van het Fonds nodig is voor een sluitende begroting; b. aannemelijk maakt dat de financiële middelen, samen met de subsidie van het Fonds, voldoende zijn om het project uit te voeren.