Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie Art. 20
DEEL III BIJZONDERE EN GEDIFFERENTIEERDE BEHANDELING
1 De Leden die ontwikkelingslanden zijn en die geen Partij zijn bij de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel van 12 april 1979 kunnen de toepassing van het bepaalde in de onderhavige Overeenkomst opschorten voor een periode van ten hoogste vijf jaar, te rekenen vanaf de datum waarop de WTO-Overeenkomst voor deze Leden in werking treedt. Leden die ontwikkelingslanden zijn en die de toepassing van deze Overeenkomst wensen op te schorten, stellen de Directeur-generaal van de WTO daarvan in kennis.
2 Naast het bepaalde in lid 1 kunnen Leden die ontwikkelingslanden zijn en die geen partij zijn bij de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel van 12 april 1979, de toepassing van artikel 1, lid 2, onder b., punt iii. en van artikel 6 opschorten voor een periode van ten hoogste drie jaar, te rekenen vanaf het tijdstip waarop zij alle andere bepalingen van deze Overeenkomst ten uitvoer hebben gelegd. Leden die ontwikkelingslanden zijn en die besluiten de toepassing van de in dit lid genoemde bepalingen op te schorten, stellen de Directeur-Generaal van de WTO daarvan in kennis.
3 De Leden die ontwikkelde landen zijn verlenen op onderling overeengekomen voorwaarden technische bijstand aan de Leden die ontwikkelingslanden zijn en die daarom verzoeken. De Leden die ontwikkelde landen zijn stellen op deze basis programma's inzake technische bijstand op die voorzien in, onder meer, opleiding van personeel, hulp bij het uitwerken van toepassingsmaatregelen, toegang tot informatiebronnen inzake de methoden voor het vaststellen van de douanewaarde en advies betreffende de toepassing van deze Overeenkomst.