Partnerschaps- en Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europe Art. 56Milieu
Titel VI ECONOMISCHE SAMENWERKING
1 Met inachtneming van het Europese Energiehandvest en de Verklaring van de in 1993 in Luzern gehouden Conferentie, en het Energiehandvestverdrag, inzonderheid artikel 9 , en het Protocol bij het Energiehandvestverdrag betreffende energie-efficiëntie en daarmee samen- hangende milieu-aspecten , ontwikkelen en versterken partijen hun samenwerking op het gebied van het milieu en de volksgezondheid.
2 De samenwerking beoogt bestrijding van het milieubederf en met name: – daadwerkelijke controle van de verontreinigingsniveaus en beoordeling van het milieu; informatiesysteem met betrekking tot de milieutoestand; – bestrijding van lokale, regionale en grensoverschrijdende lucht- en waterverontreiniging; – ecologisch herstel; – duurzame, doeltreffende en uit milieu-oogpunt doelmatige energieproduktie en -gebruik; – de ecologische veiligheid van industriële installaties; – de classificatie en veilige behandeling van chemische produkten; – verbetering van de kwaliteit van het water; – beperking, recycling en veilige verwijdering van afval; tenuitvoerlegging van het Verdrag van Bazel ; – onderzoek van de milieu-effecten van de landbouw, bodemerosie en chemische verontreiniging; – de bescherming en verjonging van bossen; – de instandhouding van de biodiversiteit, beschermde gebieden en duurzaam gebruik en beheer van biologische rijkdommen; – planning van het landgebruik, met inbegrip van nieuwbouwplanning en stadsplanning; – toepassing van economische en fiscale instrumenten; – onderzoek van klimaatsveranderingen op aarde; – milieu-opvoeding en -bewustmaking; – technische bijstand bij de sanering van met radioactiviteit besmette zones en het oplossen van daaronder veroorzaakte gezondheids- en sociale problemen; – tenuitvoerlegging van het Verdrag van Espoo inzake milieu-effectrapportage in grensoverschrijdend verband .
3 De samenwerking vindt met name plaats via: – opstelling van plannen voor rampen en andere noodsituaties; – uitwisseling van informatie en deskundigen, onder meer op het gebied van de overdracht van schone technologieën en het veilige en uit milieu-oogpunt verantwoorde gebruik van biotechnologieën; – gezamenlijke onderzoeksactiviteiten; – aanpassing van wetgeving aan communautaire normen; – opleiding op milieugebied en institutionele versterking; – samenwerking in regionaal verband, met inbegrip van samenwerking in het kader van het Europees Milieu-agentschap en op internationaal niveau; – ontwikkeling van strategieën, vooral in verband met wereldomvattende en klimatologische kwesties en tevens met het oog op de totstandbrenging van duurzame ontwikkeling; – milieu-effectstudies; – ecologisch toezicht.