Verdrag tot invoering van een eenvormige wet op cheques Art. 26
Het blijft aan de wetgeving van ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen voorbehouden, de gronden te bepalen van stuiting en schorsing van de verjaring der uit eene chèque voortvloeiende rechtsvorderingen, waarvan hare rechtbanken moeten kennisnemen.
De andere Hooge Verdragsluitende Partijen hebben de bevoegdheid de voorwaarden te bepalen, waaronder zij zoodanige gronden zullen erkennen. Hetzelfde geldt ten aanzien van het gevolg eener rechtsvordering als middel om den verjaringstermijn, voorzien bij artikel 52, lid 2, van de eenvormige wet te doen loopen.