Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Ko Art. 2.02aUitrusting en constructie van kleine schepen
HOOFDSTUK 2 KENTEKENS
1 Een varend klein schip, niet bestemd of gebezigd voor het vervoer van goederen, moet aan boord hebben: a. een of meer pagaaien of roeispanen; b. voor iedere persoon aan boord, binnen handbereik, hetzij een reddingsgordel, een reddingskussen of een reddingsvest; c. een touw van 30 meter; d. een of meer meertouwen van 10 m; e. een anker of een dreg; f. een hoosvat of een handpomp; g. een misthoorn of toeter; h. een goedgekeurde poederblusser indien het een klein motorschip is.
2 Onverminderd het eerste lid mag een snelle motorboot slechts deelnemen aan de scheepvaart indien deze tevens voldoet aan de volgende eisen: a. de stuurinrichting moet deugdelijk en doelmatig zijn; b. de inrichting van de boot en van de motor moet zodanig zijn dat gevaar voor brand of ontploffing en hinder voor de omgeving door rook, damp of walm wordt voorkomen; c. de uitlaatgassen moeten door een behoorlijk geluiddempende inrichting worden afgevoerd; d. de boot moet zijn voorzien van een technische inrichting waardoor bij het onderbreken van de besturing de middelen tot voortbeweging onmiddellijk tot stilstand komen.