Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap Art. I
1 Wanneer een voorstel tot uitvoering van een niet-verplicht programma bedoeld in artikel V, eerste lid, letter b, van het Verdrag wordt ingediend, deelt de Voorzitter van de Raad het aan alle Lid-Staten ter bestudering mede.
2 Wanneer de Raad in overeenstemming met artikel XI, vijfde lid, letter c, punt (i), van het Verdrag de uitvoering van een niet-verplicht programma in het kader van het Agentschap heeft aanvaard, dient elke Lid-Staat die niet van plan is deel te nemen aan dit programma, binnen drie maanden uitdrukkelijk te verklaren, dat hij niet in deelname geïnteresseerd is; de deelnemende Staten stellen een Verklaring op, waarin met inachtneming van artikel III, eerste lid, hun verbintenissen worden vastgelegd met betrekking tot: (a) de Fasen van het programma; (b) de voorwaarden van uitvoering ervan, met inbegrip van het tijdschema, het indicatieve financiële raam en de indicatieve deelbedragen voor de Fasen van het programma, alsmede alle andere bepalingen betreffende het beheer en de uitvoering ervan; (c) de schaal van bijdragen vastgesteld overeenkomstig artikel XIII, tweede lid, van het Verdrag; (d) de duur en de omvang van de eerste bindende financiële verplichting.
3 De Verklaring wordt de Raad ter kennisneming toegezonden, te zamen met een ontwerp van de uitvoeringsregels, die hem ter goedkeuring worden voorgelegd.
4 Indien een deelnemende Staat de bepalingen van de Verklaring en van de uitvoeringsregels niet binnen de in de Verklaring vastgestelde termijn kan aanvaarden, houdt hij op deelnemende Staat te zijn. Andere Lid-Staten kunnen later deelnemende Staten worden, wanneer zij deze bepalingen aanvaarden op met de deelnemende Staten vast te stellen voorwaarden.