Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap Art. V
1 Opzegging van het Verdrag door een Lid-Staat brengt de terugtrekking van deze Lid-Staat mede uit alle programma’s waaraan hij deelneemt. Artikel XXIV van het Verdrag is van toepassing op de rechten en verplichtingen die uit deze programma’s voortvloeien.
2 Het besluit om niet langer aan een programma deel te nemen overeenkomstig artikel II, tweede lid, of het besluit om zich eruit terug te trekken overeenkomstig artikel III, eerste lid en vierde lid, letter b, wordt van kracht op de datum, waarop de Raad de in die artikelen bedoelde verslagen ontvangt.
3 Een deelnemende Staat die besluit een programma niet voort te zetten overeenkomstig artikel II, tweede lid, of die zich uit een programma terugtrekt overeenkomstig artikel III, eerste lid, en vierde lid, letter b, behoudt de rechten welke door de deelnemende Staten tot op de datum waarop zijn terugtrekking van kracht wordt, zijn verworven. Na die datum vloeien voor hem geen verdere rechten of verplichtingen voort uit het gedeelte van het programma, waaraan hij niet langer deelneemt. Hij blijft gehouden zijn aandeel bij te dragen in de betalingskredieten overeenkomend met de vastleggingskredieten goedgekeurd in de begroting voor het lopende of een voorgaand begrotingsjaar en die betrekking hebben op een in uitvoering zijnde Fase van het programma. De deelnemende Staten kunnen in de Verklaring echter eenparig overeenkomen dat een Staat die besluit een programma niet voort te zetten, of die zich daaruit terugtrekt, gehouden blijft zijn totale aandeel in het oorspronkelijke financiële raam of de deelbedragen van het programma bij te dragen.