Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer (COTI Art. 8UTP
§ 1 De aangenomen UTP’s worden gepubliceerd op de website van de Organisatie.
§ 2 In beginsel is op elk subsysteem één UTP van toepassing. Zo nodig kunnen op een subsysteem diverse UTP’s van toepassing zijn en kan een UTP op meerdere subsystemen van toepassing zijn.
§ 2a De UTP’s zijn van toepassing op nieuwe subsystemen. Zij zijn ook van toepassing op een bestaand subsysteem dat is vernieuwd of verbeterd. De toepassing dient in overeenstemming te zijn met de migratiestrategie bedoeld in § 4, onder f.
§ 3 Na de kennisgevingsprocedure bedoeld in artikel 35, §§ 3 en 4, van het Verdrag en ten minste een maand voor de inwerkingtreding, publiceert de Secretaris-Generaal op de website van de Organisatie: a. de aangenomen UTP waarvan kennisgeving is gedaan; b. de datum waarop deze in werking treedt; c. de lijst van Verdragsstaten waarop deze UTP van toepassing is; d. de geactualiseerde lijst van UTP’s en de datum waarop ze in werking zijn getreden.
§ 4 Voor zover nodig teneinde het in artikel 3 vervatte doel te verwezenlijken, moeten de UTP’s die naar subsystemen verwijzen ten minste: a. hun beoogde toepassingsgebied aangeven (deel van netwerk of voertuigen; subsysteem of deel van een subsysteem); b. de essentiële eisen voor elk betrokken subsysteem vastleggen alsmede de interfaces met andere subsystemen; c. de technisch-functionele specificaties vaststellen waaraan elk subsysteem en de interfaces met andere subsystemen moeten voldoen. Deze specificaties kunnen zo nodig variëren al naar gelang van het gebruik van het subsysteem, bijvoorbeeld al naar gelang van de lijnen, de knooppunten en/of de voertuigen; d. bepalen welke elementen van de constructie of interfaces en interoperabiliteitsonderdelen gedekt moeten zijn door technische normen en die noodzakelijk zijn ten behoeve van de interoperabiliteit binnen het spoorwegsysteem; e. voor elk onderhavig geval vermelden welke procedures moeten worden toegepast om de conformiteit met de bepalingen van de UTP’s vast te stellen. Deze procedures moeten gebaseerd zijn op de toetsingsmodules omschreven in een algemene UTP zoals bedoeld in § 8; f. de strategie aangeven voor de implementatie van de UTP’s. Het is met name van belang aan te geven welke fasen dienen te zijn afgerond voor een geleidelijke overgang van de bestaande situatie naar de definitieve situatie waarin voldaan moet zijn aan de UTP; voor elke fase moeten passende overgangsbepalingen worden opgenomen; g. voor het betrokken personeel aangeven welke professionele kwalificaties en voorwaarden op het gebied van veiligheid en gezondheid op de werkvloer vereist zijn voor de exploitatie en het onderhoud van het desbetreffende subsysteem, alsmede voor de implementatie van de UTP; h. de bepalingen aangeven die van toepassing zijn op bestaande subsystemen en voertuigen, met name bij verbetering en vernieuwing en, in deze gevallen, de wijzigingen die een aanvraag voor een nieuwe toelating nodig maken; i. de parameters aangeven voor voertuigen en vaste subsystemen die de spoorwegonderneming moet verifiëren en de procedures aangeven die daarvoor moeten worden toegepast om de compatibiliteit te waarborgen tussen de voertuigen en de vervoertrajecten waarop deze moeten worden geëxploiteerd.
§ 5 Elke UTP wordt opgesteld op grond van een onderzoek van een bestaand subsysteem en geeft een of meer doelsubsystemen aan die geleidelijk binnen een redelijke termijn kunnen worden verwezenlijkt. Dienovereenkomstig zal de geleidelijke aanneming van de UTP’s en het voldoen daaraan bijdragen tot de geleidelijke verwezenlijking van interoperabiliteit binnen het spoorwegsysteem.
§ 6 De UTP’s handhaven op passende wijze de compatibiliteit van het bestaande spoorwegsysteem van elke Verdragsstaat. Daartoe kunnen in elke UTP regelingen worden getroffen voor „specifieke gevallen” die op een of meer Verdragsstaten betrekking hebben ten aanzien van zowel netwerk als voertuigen; bijzondere aandacht moet worden besteed aan het laadprofiel, de spoorbreedte of de spoorafstand en de voertuigen afkomstig uit of bestemd voor derde landen. Voor elk specifiek geval bepalen de UTP’s de uitvoeringsregels van de in § 4, onderdelen c. tot en met g., vermelde elementen.
§ 7 Indien technische aspecten die overeenkomen met essentiële eisen niet uitdrukkelijk kunnen worden opgenomen in een UTP, worden ze daarin uitdrukkelijk omschreven als „open punten”.
§ 8 De Commissie van technisch deskundigen kan UTP’s aannemen die niet verwijzen naar subsystemen, bijvoorbeeld algemene bepalingen, essentiële eisen of beoordelingsmodules.
§ 9 De UTP’s verschijnen in een formaat bestaande uit twee kolommen. Wanneer de tekst over de volle breedte van de pagina verschijnt zonder kolommen is deze gelijk aan de desbetreffende teksten van de technische specificaties inzake operabiliteit (TSI) van de Europese Unie. Wanneer de tekst verdeeld is over twee kolommen wijkt deze af voor de UTP’s en voor de desbetreffende TSI’s of andere regelgeving van de Europese Unie. De linkerkolom bevat de tekst van de UTP (OTIF-voorschriften) en de rechterkolom bevat de TSI-tekst (Europese Unie). Uiterst rechts staat de verwijzing naar de TSI.
Amendment history
- In werking sinds 2019-03-01