Invoerings- en aanpassingswet Wet op het financieel toezicht Art. 33
§ 4.1 Vergunningen
1 Een vergunning die is verleend op grond van artikel 5, eerste lid, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen aan een beheerder van een beleggingsinstelling, anders dan bedoeld in artikel 6 van die wet , berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:67 van laatstgenoemde wet .
2 Een vergunning die is verleend op grond van artikel 5 van de Wet toezicht beleggingsinstellingen ten behoeve van een beleggingsmaatschappij die geen aparte beheerder heeft en geen beleggingsmaatschappij is als bedoeld in artikel 6 van die wet , berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:68 van laatstgenoemde wet .
3 Een vergunning die is verleend op grond van artikel 5 ten behoeve van een beleggingsmaatschappij of beheerder als bedoeld in artikel 6 van de Wet toezicht beleggingsinstellingen , berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:69 van laatstgenoemde wet en wordt geacht te zijn verleend aan de beheerder van die beleggingsmaatschappij.