Regeling technische voorschriften voor lieren, sleepauto’s e Art. 3Liermechanisme
Hoofdstuk 2 Lieren
1 Het remvermogen van de krachtbron bedraagt voor het lieren van een zweefvliegtuig met één zitplaats ten minste 44 kW en van een zweefvliegtuig met twee zitplaatsen ten minste 66 kW.
2 Bij een windsnelheid van 0 m/s kan met elk type zweefvliegtuig waarvoor de lier bestemd is, een kabelsnelheid bereikt worden van ten minste 1,2 maal de minimale vliegsnelheid van het zweefvliegtuig.
3 De kabeltrommel moet door middel van een rem snel tot stilstand gebracht kunnen worden.
4 Tussen krachtbron en kabeltrommel is een zodanige koppeling aangebracht, dat de kabeltrommel onafhankelijk van de krachtbron kan draaien zonder daarbij op enige wijze door de krachtbron te worden beïnvloed.
5 De kabeltrommel heeft een diameter van ten minste 600 maal de diameter van de afzonderlijke draden van de kabel.
6 De kabeltrommel is aan beide zijden van randen voorzien, die tijdens het bedrijf van de lier steeds ten minste 5 cm uitsteken boven de op de trommel gewikkelde kabel, bedoeld in artikel 18, tweede lid, onder a . De vorm van deze randen is zodanig dat tijdens het bedrijf de kabel niet beschadigd kan worden.
7 De krachtbron en de daarbij behorende installaties en onderdelen zijn zodanig opgesteld en verkeren in zodanige staat, dat zij onder alle te verwachten bedrijfsomstandigheden zonder storing en regelmatig werken.