Wet Adviescollege ICT-toetsing · Wet Adviescollege ICT-toetsing
Wet Adviescollege ICT-toetsing Art. 11
§ 4 Bevoegdheden en verplichtingen van Ministers en zelfstandige bestuursorganen ten aanzien van adviezen
1 Onze Minister die verantwoordelijk is voor de ICT-voorziening of een zelfstandig bestuursorgaan verzoekt voor aanvang van een ICT-project het Adviescollege om een advies als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, onder 2° .
2 Een advies van het Adviescollege als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a , wordt binnen vier weken na ontvangst ervan aan de beide kamers der Staten-Generaal gezonden door: a. Onze Minister die verantwoordelijk is voor de ICT-voorziening, indien het een advies betreft over een ICT-project of informatiesysteem van deze Minister; b. Onze Minister die het aangaat, indien het een advies betreft over een ICT-project of informatiesysteem van een zelfstandig bestuursorgaan; c. Onze Minister van Justitie en Veiligheid, indien het een advies betreft over een ICT-project of informatiesysteem van de politie; d. Onze Minister voor Rechtsbescherming, indien het een advies betreft over een ICT-project of informatiesysteem van de Raad voor rechtspraak.
3 Ingeval een advies van het Adviescollege als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a , niet wordt opgevolgd, wordt dat, in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, met redenen omkleed medegedeeld aan de beide kamers der Staten-Generaal. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.
4 Het bereiken van overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad als bedoeld in het derde lid is niet van toepassing op een ICT-project of een informatiesysteem van de Raad voor de rechtspraak.
5 Onze Minister die verantwoordelijk is voor de ICT-voorziening of een zelfstandig bestuursorgaan kan het Adviescollege verzoeken om nader advies over de risico’s en slaagkans van een ICT-project dat is gestart.