Verdrag betreffende de Europese Unie · Verdrag betreffende de Europese Unie
Verdrag betreffende de Europese Unie Art. 46
TITEL III PROCEDURE VOOR HET HOF VAN JUSTITIE
De vorderingen tegen de Unie inzake niet-contractuele aansprakelijkheid verjaren vijf jaar na het feit dat tot deze vordering aanleiding heeft gegeven. De verjaring wordt gestuit, hetzij door een bij het Hof van Justitie ingesteld beroep, hetzij door een eerder gedaan verzoek, dat de benadeelde kan richten tot de bevoegde instelling van de Unie. In het laatste geval moet het beroep worden ingesteld binnen de termijn van twee maanden, bepaald in artikel 263 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie ; artikel 265, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie , is van overeenkomstige toepassing.
Dit artikel is tevens van toepassing op vorderingen tegen de Europese Centrale Bank inzake niet-contractuele aansprakelijkheid.