Verdrag inzake de erkenning en de tenuitvoerlegging van besl Art. 7
HOOFDSTUK II VOORWAARDEN VOOR DE ERKENNING EN TENUITVOERLEGGING VAN BESLISSINGEN
De autoriteit van de Staat van herkomst wordt bevoegd geacht in de zin van het Verdrag:
1. indien de onderhoudsplichtige of de onderhoudsgerechtigde ten tijde van de inleiding van het geding zijn gewone verblijfplaats had in de Staat van herkomst; of 2. de onderhoudsplichtige en de onderhoudsgerechtigde ten tijde van die inleiding van het geding de nationaliteit van die Staat van oorsprong hadden; of 3. de verweerder zich heeft onderworpen aan de bevoegdheid van deze autoriteit, uitdrukkelijk dan wel door verweer ten gronde te voeren zonder voorbehoud ten aanzien van de bevoegdheid.