Overeenkomst tussen de Lid-Staten van de Europese Gemeenscha Art. 4
1 Indien in een Lid-Staat iemand een strafbaar feit ten laste wordt gelegd en de bevoegde autoriteiten van deze Lid-Staat redenen hebben om aan te nemen dat de tenlastelegging dezelfde feiten betreft als die ter zake waarvan deze persoon reeds bij onherroepelijk vonnis is berecht in een andere Lid-Staat, verzoeken deze autoriteiten, indien zij zulks nodig achten, de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat waarin reeds vonnis was gewezen om de nodige inlichtingen in dezen.
2 De aldus gevraagde inlichtingen worden zo spoedig mogelijk verstrekt en worden in overweging genomen bij de beslissing of de vervolging dient te worden voortgezet.
3 Iedere Lid-Staat wijst op het tijdstip van ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van deze Overeenkomst de autoriteiten die bevoegd zijn de in dit artikel bedoelde inlichtingen te vragen en te ontvangen.