Multilaterale Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en Art. 3Bepalingen betreffende mededinging en andere economische aspecten
1 Onverenigbaar met de goede werking van de Overeenkomst, voorzover de handel tussen twee of meer overeenkomstsluitende partijen daardoor ongunstig kan worden beïnvloed, zijn de volgende handelwijzen: i. alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemersverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen van ondernemingen welke ertoe strekken of die tot gevolg hebben dat de mededinging wordt verhinderd, beperkt of vervalst; ii. het misbruik door een of meer ondernemingen van een machtspositie op het grondgebied van de overeenkomstsluitende partijen of in een substantieel deel daarvan; iii. alle staatssteun die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde goederen vervalst of dreigt te vervalsen.
2 Alle handelwijzen die met dit artikel in strijd zijn, worden beoordeeld aan de hand van de criteria die voortvloeien uit de toepassing van de mededingingsregels die van toepassing zijn in de Europese Gemeenschap, met name de artikelen 81 , 82 , 86 en 87 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en de besluiten die ter interpretatie hiervan door de instellingen van de Europese Gemeenschap zijn vastgesteld.
3 Elke geassocieerde partij ziet erop toe dat aan een functioneel onafhankelijke overheidsinstantie de nodige bevoegdheden worden verleend voor de volledige toepassing van lid 1, onder i) en ii), ten aanzien van particuliere en overheidsondernemingen en ondernemingen waaraan bijzondere rechten zijn verleend.
4 Elke geassocieerde partij zorgt voor de aanwijzing of de instelling van een functioneel onafhankelijke overheidsinstantie waaraan de nodige bevoegdheden worden verleend voor de volledige toepassing van lid 1, onder iii). Deze instantie beschikt onder meer over de bevoegdheid toestemming te verlenen voor staatssteunregelingen en individuele steunmaatregelen, overeenkomstig lid 2, alsmede de bevoegdheid terugbetaling van onwettig verleende staatssteun te vorderen.
5 Elke overeenkomstsluitende partij draagt zorg voor transparantie ten aanzien van staatssteun, met name door de andere overeenkomstsluitende partijen een jaarverslag of een gelijkwaardig rapport te doen toekomen, waarbij de methodologie en de presentatie worden gevolgd van het overzicht van de staatssteun dat door de Europese Gemeenschap wordt opgesteld. Op verzoek van een overeenkomstsluitende partij verstrekt een andere overeenkomstsluitende partij informatie over bepaalde afzonderlijke steunmaatregelen van de overheid.
6 Elke geassocieerde partijen stellen een volledig overzicht op van de steunregelingen die vóór de oprichting van de in lid 4 bedoelde instantie zijn ingesteld, en passen deze steunregelingen aan volgens de in lid 2 van dit artikel bedoelde criteria.
7 a. Voor de toepassing van het bepaalde in lid 1, onder iii), komen de overeenkomstsluitende partijen overeen dat tijdens de periodes die zijn vermeld in het protocol bij deze Overeenkomst dat de overgangsmaatregelen ten aanzien van een geassocieerde partij bevat, alle door die geassocieerde partij toegekende overheidssteun wordt beoordeeld met inachtneming van het feit dat de betrokken geassocieerde partij wordt beschouwd als een regio overeenkomend met de in artikel 87, lid 3, onder a), van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap bedoelde streken van de Gemeenschap. b. Tegen het einde van de eerste periode die is vermeld in het protocol bij deze Overeenkomst dat de overgangsmaatregelen ten aanzien van een geassocieerde partij bevat, verstrekt die partij de Commissie van de Europese Gemeenschappen de BBP-cijfers per hoofd van de bevolking, geharmoniseerd op NUTS II-niveau. De in lid 4 bedoelde instantie en de Europese Commissie zullen dan gezamenlijk evalueren welke regio’s van de betrokken geassocieerde partij voor overheidssteun in aanmerking komen, alsmede hoeveel de maximale steun voor die regio’s mag bedragen, teneinde op basis van de desbetreffende richtsnoeren van de Europese Gemeenschap het regionale steunoverzicht op te stellen.
8 Indien een van de overeenkomstsluitende partijen van mening is dat een bepaalde handelwijze onverenigbaar is met lid 1, kan zij passende maatregelen nemen na overleg in het gemengd comité, of na een termijn van 30 werkdagen volgende op het verzoek om dergelijk overleg.
9 De overeenkomstsluitende partijen wisselen gegevens uit, rekening houdend met de beperkingen uit hoofde van het zaken- en beroepsgeheim.