Bibliothèque juridique et analyse de dossiers · Autriche · Belgique · Union européenne
LAWxPERT Connexion Compte gratuit

Verdrag inzake de regeling van aangelegenheden voortspruiten · Verdrag inzake de regeling van aangelegenheden voortspruitende uit de oorlog en de bezetting

Verdrag inzake de regeling van aangelegenheden voortspruiten Art. 6

En vigueurTexte officiel

1 In afwachting van een definitieve regeling van de vorderingen op Duitsland welke voortvloeien uit de oorlog, zijn de in lid 2 van dit artikel omschreven personen en hun goederen vrijgesteld van bijzondere belastingen, heffingen of zakelijke belastingen welke daadwerkelijk op de goederen drukken en welke worden opgelegd met de vooropgezette bedoeling daaruit onkosten te bestrijden welke voortvloeien uit de oorlog of uit herstelbetalingen of restituties aan enig lid der Verenigde Naties.

2 In de gevallen waarin zodanige belasting, heffing of zakelijke belasting slechts gedeeltelijk wordt geheven voor de in lid 1 van dit artikel omschreven doeleinden, wordt de vrijstelling in beginsel verleend in verhouding tot het deel van zodanige belastingen, heffingen of zakelijke belastingen dat voor die doeleinden wordt geheven. In de bijzondere gevallen van de heffingen voorgeschreven door de wetgeving van de Bizonale Economische Raad en door de overeenkomstige wetgeving van de „Länder” Rheinland-Pfalz, Baden en Württemberg-Hohenzollern inzake onmiddellijke hulp (Soforthilfe) en door de Wet inzake een gelijkmatige verdeling van lasten van 14 Augustus 1952 (Bundesgesetzblatt I Seite 446), zijn de in de volgende bepalingen van dit artikel omschreven personen en goederen, tot een aldaar vastgestelde grens, vrijgesteld van betalingen welke dienden te geschieden in de periode van 6 jaar van 1 April 1949 tot 31 Maart 1955 als heffingen inzake onmiddellijke hulp en als vermogensheffing krachtens de gelijkmatige verdeling van lasten: (a) natuurlijke personen die op de datum van de geldsanering (21 Juni 1948) onderdaan waren van enig lid der Verenigde Naties, en maatschappijen, verenigingen van personen en trusts (Körperschaften, Personenvereinigungen und Vermögensmassen) welke, onafhankelijk, onderworpen zijn aan belastingheffing krachtens het Duitse recht en welke zijn opgericht overeenkomstig de wetten van een der leden van de Verenigde Naties, worden, indien zij aan een onbeperkte belastingplicht zijn onderworpen, vrijgesteld ten aanzien van alle hun toebehorende goederen in de Bondsrepubliek of Berlijn (West). Onderdanen van elke in art. 1 (c) van Wet No. 54 van de Geallieerde Hoge Commissie bedoelde gebiedseenheid of staat genieten dezelfde vrijstelling indien zij op enig ogenblik tussen 1 September 1939 en 21 Juni 1948 de nationaliteit bezaten van een der leden van de Verenigde Naties; (b) maatschappijen welke zijn opgericht overeenkomstig het Duitse recht en welke, onafhankelijk, onderworpen zijn aan belastingheffing en waarin natuurlijke personen of maatschappijen, verenigingen van personen of trusts als omschreven in lid 2 (a) van dit artikel, zowel op 21 Juni 1948 als op 8 Mei 1945, rechtstreeks of door middel van andere maatschappijen, een aandelenbelang hadden van ten minste 85 procent, worden vrijgesteld naar verhouding van dit aandelenbelang; (c) natuurlijke personen die niet overeenkomstig de bepalingen van lid 2 (a) voor vrijstelling in aanmerking komen en die in het kader van de in lid 1 (a) van artikel 1 van Hoofdstuk Drie van dit Verdrag aanspraak maken op of aanspraak hebben gemaakt op restitutie of schadevergoeding, worden vrijgesteld voor de eerste 150.000 DM van de waarde of van het bedrag van alle vermogenswaarden welke aan hen zijn of zullen worden overgedragen ingevolge rechtsgeldige beslissingen of geregistreerde overeenkomsten in het kader van zodanige wetgevingen en welke aan belastingheffing onderworpen zouden zijn overeenkomstig de bepalingen betreffende heffingen inzake onmiddellijke hulp of overeenkomstig de vermogensheffing krachtens de gelijkmatige verdeling van lasten; (d) de in (a) tot en met (c) van dit lid voorgeschreven vrijstellingen treden niet buiten werking op grond van het feit dat de betrokken goederen op of na 21 Juni 1948 op andere personen zijn overgegaan.

3 In lid 2 (a) van dit artikel wordt een persoon die op 21 Juni 1948 wel, doch op 8 Mei 1945 geen eigenaar was van bepaalde goederen, geacht op 8 Mei 1945 eigenaar van deze goederen te zijn geweest indien - (a) de goederen op 8 Mei 1945 het eigendom waren van een persoon (onverschillig van welke nationaliteit) van wie hij de goederen verkreeg door erfopvolging (door een of een opeenvolging van overervingen of testamentaire beschikkingen); of (b) hij de goederen na 8 Mei 1945 verwierf in ruil voor andere goederen welke zijn eigendom waren op die datum (bijvoorbeeld door koop); of (c) de betrokken goederen gerestitueerde goederen van enigerlei aard zijn zonder beperking ten aanzien van de waarde of het bedrag als bedoeld in lid 2 (c) van dit artikel.

4 Voor de doeleinden van lid 2 (b) van dit artikel zijn de bepalingen van lid 3 van dit artikel mutatis mutandis van kracht.

5 Indien betalingen verricht overeenkomstig de bepalingen van de onmiddellijke hulp door natuurlijke personen, maatschappijen, verenigingen van personen en trusts rechthebbende op vrijstelling krachtens lid 2 van dit artikel, uitgaan boven de voor diezelfde periode vervallende bedragen van de vermogensheffing waarbij rekening wordt gehouden met de bepalingen van lid 2, wordt het teveel betaalde niet later dan drie maanden na de vervaldatum van de door het Duitse belastingkantoor ten aanzien van de vermogensheffing opgelegde aanslag hetzij terugbetaald of verrekend met betalingsverplichtingen welke zijn vervallen of binnen drie maanden daarna zullen vervallen.

6 In gevallen waarin natuurlijke personen, maatschappijen, verenigingen van personen of trusts krachtens dit artikel vrijstelling van vermogensheffing genieten, is het jaarlijkse bedrag dat moet worden betaald met betrekking tot de vermogensheffing voor de periode na de afloop van de vrijstelling niet, noch vanwege deze vrijstelling noch vanwege het niet betalen van de vermogensheffing of de heffing inzake onmiddellijke hulp, hoger dan het jaarlijkse bedrag dat betaald moet worden door niet-vrijgestelde natuurlijke personen, maatschappijen, verenigingen van personen of trusts die de heffing inzake onmiddellijke hulp ten volle hebben betaald. Indien bij de berekening van de vermogensheffing de heffing inzake onmiddellijke hulp dient te worden gecompenseerd op de wijze voorgesteld in het aan de Bundestag (Bundestag Document No. 3300) voorgestelde wetsontwerp, dat wil zeggen door de heffing inzake onmiddellijke hulp af te trekken van het totaal verschuldigde bedrag uit hoofde van de vermogensheffing, dan wordt in gevallen waarin geen heffing inzake onmiddellijke hulp is opgelegd driemaal het jaarlijkse basis bedrag uit hoofde van de vermogensheffing afgetrokken van het totaal verschuldigde bedrag; het jaarlijkse basis bedrag is voor dit doel het bedrag dat ontstaat door de jaarlijkse belastingtarieven toe te passen op het totaal verschuldigde bedrag.

7 Bij de berekening van het verschuldigde bedrag voor alle andere heffingen uit hoofde van de wet inzake een gelijkmatige verdeling van lasten worden natuurlijke personen, maatschappijen, verenigingen van personen en trusts welke de vrijstellingen genieten krachtens dit artikel, behandeld alsof zij het volle bedrag der vermogensheffing hadden betaald.

8 In gevallen bedoeld in lid 2 (a) van dit artikel hebben zowel de maatschappij en iedere aandeelhouder die van mening is dat de maatschappij dient te worden vrijgesteld, recht op alle beschikbare rechtsmiddelen.