Vredesverdrag tussen de Geallieerde en Geassocieerde Mogendh Art. 19Wetgeving
1 In zake de wetgeving behoort het recht van initiatief toe aan de leden van de Volksvergadering en de Regeringsraad, evenals aan de Gouverneur, voor die aangelegenheden, welke naar zijn mening de verantwoordelijkheid van de Veiligheidsraad betreffen, zoals bepaald in artikel 2 van dit Statuut.
2 Geen enkele wet zal van kracht kunnen worden, alvorens zij afgekondigd is. De afkondiging der wetten zal geschieden, overeenkomstig de bepalingen van de Grondwet van het Vrije Gebied.
3 Vóór de afkondiging zal iedere door de Volksvergadering aangenomen wet aan de Gouverneur worden voorgelegd.
4 Indien de Gouverneur deze wet in strijd acht met het tegenwoordige Statuut, zal hij binnen tien dagen nadat deze wet hem is voorgelegd, deze, vergezeld van zijn op- en aanmerkingen aan de Volksvertegenwoordiging terugsturen. Indien de Gouverneur deze wet niet binnen de vastgestelde tien dagen terugstuurt, of indien hij, binnen hetzelfde tijdsbestek, de Volksvertegenwoordiging bericht, dat deze wet geen enkele op- of aanmerking zijnerzijds behoeft, zal deze onmiddellijk afgekondigd worden.
5 Indien de Volksvergadering weigering te kennen geeft de door de Gouverneur teruggezonden wet in te trekken of deze te wijzigen, overeenkomstig de toelichtende en aanbevelende memorie van de Gouverneur, zal deze laatste, tenzij hij bereid mocht zijn zijn bezwaren in te trekken — en in dat geval zal de wet zonder uitstel afgekondigd worden — de aangelegenheid dadelijk aan de Veiligheidsraad voorleggen. De Gouverneur zal eveneens zonder uitstel iedere mededeling aan de Veiligheidsraad overbrengen, waarvan de Volksvergadering de Raad op de hoogte zou willen stellen.
6 De wetten, die aan de Veiligheidsraad zullen zijn voorgelegd, krachtens de bepalingen van de vorige paragraaf, zullen slechts op bevel van de Veiligheidsraad afgekondigd worden.