anc. C.civ. · Burgerlijkwetboek (art. 1–515)
anc. C.civ. Art. 8.37
Afdeling 5. Eed — Onderafdeling 1. Beslissende eed
Wettelijke bewijswaarde
De eed levert alleen bewijs op ten voordele van hem die de eed heeft opgedragen en ten voordele van zijn erfgenamen en rechtverkrijgenden, of tegen hen.
Wanneer de eed door een van de hoofdelijke schuldeisers is opgedragen aan de schuldenaar, bevrijdt hij de schuldenaar niet verder dan voor het aandeel van die schuldeiser.
De eed aan de hoofdschuldenaar opgedragen, bevrijdt eveneens de borgen.
De eed aan een van de hoofdelijke schuldenaars opgedragen, strekt ten voordele van de medeschuldenaars.
De eed aan de borg opgedragen, strekt ten voordele van de hoofdschuldenaar.
In de laatste twee gevallen strekt de eed van de hoofdelijke medeschuldenaar of van de borg alleen dan ten voordele van de overige medeschuldenaars of van de hoofdschuldenaar indien hij is opgedragen omtrent de hoofdschuld, en niet omtrent de hoofdelijkheid of de borgtocht.