Rechtsbibliotheek en dossieranalyse · Oostenrijk · België · Europese Unie
LAWxPERT Aanmelden Gratis account

C.i.cr. · Wetboek van Strafvordering (art. 1–…)

C.i.cr. Art. 88bis

AFDELING II. - AMBTSVERRICHTINGEN VAN DE ONDERZOEKSRECHTER. — ONDERAFDELING II. - HET ONDERZOEK.

Van krachtOfficiële tekst

FRNL

<W 1998-06-10/96, art. 5, 017; Inwerkingtreding : 02-10-1998> § 1. Wanneer er ernstige aanwijzingen zijn dat de strafbare feiten een straf van niveau 2 of een zwaardere straf tot gevolg kunnen hebben en de onderzoeksrechter van oordeel is dat er omstandigheden zijn die het doen opsporen van elektronische communicatie of het lokaliseren van de oorsprong of de bestemming van elektronische communicatie noodzakelijk maken om de waarheid aan de dag te brengen, kan hij:

1° de verkeersgegevens doen opsporen van elektronische communicatiemiddelen van waaruit of waarnaar elektronische communicaties worden of werden gedaan;

2° de oorsprong of de bestemming van elektronische communicatie laten lokaliseren.

Hiertoe kan hij zo nodig, rechtstreeks of via de door de Koning aangewezen politiedienst, de medewerking vorderen van:

- de operator van een elektronisch communicatienetwerk; en

- iedereen die binnen het Belgisch grondgebied, op welke wijze ook, een dienst beschikbaar stelt of aanbiedt, die bestaat in het overbrengen van signalen via elektronische communicatienetwerken, of er in bestaat gebruikers toe te laten via een elektronisch communicatienetwerk informatie te verkrijgen of te ontvangen of te verspreiden. Hieronder wordt ook de verstrekker van een elektronische communicatiedienst begrepen.

In de gevallen bedoeld in het eerste lid wordt voor ieder elektronisch communicatiemiddel waarvan de verkeersgegevens worden opgespoord of waarvan de oorsprong of de bestemming van de elektronische communicatie wordt gelokaliseerd, de dag, het uur, de duur, en, indien nodig, de plaats van de elektronische communicatie vastgesteld en opgenomen in een proces-verbaal.

De onderzoeksrechter doet in een met redenen omkleed bevelschrift opgave van de feitelijke omstandigheden van de zaak die de maatregel rechtvaardigen, van de proportionaliteit met inachtneming van de persoonlijke levenssfeer en de subsidiariteit ten opzichte van elke andere onderzoeksdaad.

Hij vermeldt ook de duur van de maatregel voor de toekomst, die niet langer kan zijn dan twee maanden te rekenen vanaf het bevelschrift, onverminderd een hernieuwing en, in voorkomend geval, de periode in het verleden waarover de vordering zich uitstrekt overeenkomstig paragraaf 2.

In geval van ontdekking op heterdaad kan de procureur des Konings de maatregel bevelen voor de in artikel 90ter, §§ 2, 3 en 4, bedoelde strafbare feiten. In dat geval moet de maatregel binnen vierentwintig uur worden bevestigd door de onderzoeksrechter.

Indien het echter het in artikel 219, 220, 226 tot 228, 371 of 464 van het Strafwetboek bedoelde misdrijf betreft , met uitzondering van het in artikel 371, § 3, eerste lid, 6°, van hetzelfde Wetboek bedoelde strafbare feit, kan de procureur des Konings de maatregel bevelen zolang de heterdaadsituatie duurt, zonder dat een bevestiging door de onderzoeksrechter nodig is.

Indien het het in artikel 371 van het Strafwetboek bedoelde strafbare feit betreft, met uitzondering van het in artikel 371, § 3, eerste lid, 6°, van hetzelfde Wetboek bedoelde strafbare feit, kan de procureur des Konings bovendien de maatregel bevelen binnen de tweeënzeventig uur na de ontdekking van dit strafbare feit, zonder dat een bevestiging door de onderzoeksrechter nodig is.

De procureur des Konings kan evenwel de maatregel bevelen indien de klager erom verzoekt, wanneer deze maatregel onontbeerlijk lijkt voor het vaststellen van een misdrijf bedoeld in artikel 237 van het Strafwetboek of in artikel 145, § 3, van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie.

In spoedeisende gevallen kan de maatregel mondeling worden bevolen. Het bevel moet zo spoedig mogelijk worden bevestigd in de vorm bepaald in het vierde en vijfde lid.

§ 2. Wat betreft de toepassing van de maatregel bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, op de verkeers- of lokalisatiegegevens die worden bewaard krachtens de artikelen 126/1 en 126/3 van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie, zijn de volgende bepalingen van toepassing:

- voor een strafbaar feit bedoeld in boek II, titel 4, hoofdstuk 1, van het Strafwetboek mag de onderzoeksrechter in zijn bevelschrift de gegevens opvragen voor een periode van twaalf maanden voorafgaand aan het bevelschrift;

- voor een ander strafbaar feit bedoeld in artikel 90ter, §§ 2 tot 4, dat niet bedoeld is in het eerste gedachtestreepje, of een strafbaar feit dat gepleegd is in het kader van een criminele organisatie als bedoeld in artikel 406 van het Strafwetboek, of een strafbaar feit dat een straf van niveau 3 of een zwaardere straf tot gevolg kan hebben, kan de onderzoeksrechter in zijn bevelschrift de gegevens vorderen voor een periode van negen maanden voorafgaand aan het bevelschrift;

- voor andere strafbare feiten kan de onderzoeksrechter de gegevens slechts vorderen voor een periode van zes maanden voorafgaand aan het bevelschrift.

§ 3. De maatregel kan alleen betrekking hebben op de elektronische communicatiemiddelen van een advocaat of een arts, indien deze er zelf van verdacht worden een strafbaar feit bedoeld in paragraaf 1 te hebben gepleegd of eraan deelgenomen te hebben, of, indien precieze feiten doen vermoeden dat derden die ervan verdacht worden een strafbaar feit bedoeld in paragraaf 1 te hebben gepleegd, gebruik maken van diens elektronische communicatiemiddelen.

De maatregel mag niet ten uitvoer worden gelegd zonder dat, naar gelang het geval, de stafhouder of de vertegenwoordiger van de provinciale orde van geneesheren ervan op de hoogte werd gebracht. Dezelfde personen zullen door de onderzoeksrechter in kennis worden gesteld van hetgeen volgens hem onder het beroepsgeheim valt. Deze gegevens worden niet opgenomen in het proces-verbaal. Deze personen zijn tot geheimhouding verplicht. Iedere schending van het geheim wordt gestraft overeenkomstig artikel 352 van het Strafwetboek.

§ 4. De actoren bedoeld in § 1, tweede lid, delen de gegevens waarom verzocht werd mee in werkelijke tijd of, in voorkomend geval, op het tijdstip bepaald in de vordering, volgens de nadere regels vastgesteld door de Koning, op voorstel van de minister van Justitie en de minister bevoegd voor Telecommunicatie.

Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening kennis krijgt van de maatregel of daaraan zijn medewerking verleent, is tot geheimhouding verplicht. Iedere schending van het geheim wordt gestraft overeenkomstig artikel 352 van het Strafwetboek.

Iedere persoon die zijn technische medewerking aan de vorderingen bedoeld in dit artikel weigert of niet verleent in werkelijke tijd of, in voorkomend geval, op het tijdstip bepaald in de vordering, medewerking waarvan de nadere regels vastgesteld worden door de Koning, op voorstel van de minister van Justitie en de minister bevoegd voor Telecommunicatie, wordt gestraft overeenkomstig de artikelen 655 en 656 van het Strafwetboek..

Wijzigingsgeschiedenis
  • (1)<W 2012-12-27/29, art. 29, 066; Inwerkingtreding : 10-02-2013>
  • (2)<W 2016-02-05/11, art. 65, 079; Inwerkingtreding : 29-02-2016>
  • (3)<W 2016-05-29/03, art. 9, 085; Inwerkingtreding : 28-07-2016, (NOTA : bij arrest nr. 57/2021 van 22-04-
  • 2021 (2021-04-22/20, B.St. 28-06-2021, p. 65587), heeft het Grondwettelijk Hof de wijzigingen aangebracht aan
  • §§ 2 en 3 van dit artikel vernietigd) >
  • (4)<W 2016-12-25/37, art. 12, 088; Inwerkingtreding : 27-01-2017>
  • (5)<W 2019-05-05/10, art. 10, 102; Inwerkingtreding : 03-06-2019>
  • (6)<W 2022-07-20/14, art. 27, 113; Inwerkingtreding : 18-08-2022>
  • (7)<W 2022-12-06/02, art. 13, 114; Inwerkingtreding : 31-12-2022>
  • (8)<W 2026-03-11/03, art. 92, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2026>