Rechtsbibliotheek en dossieranalyse · Oostenrijk · België · Europese Unie
LAWxPERT Aanmelden Gratis account

CODE FORESTIER. · 19 DECEMBER 1854. - BOSWETBOEK. (NOTE : Opgeheven voor het Waalse Gewest, met uitzondering van art. 177, door DWG 2008-07-15/44, art. 110, 002; Inwerkingtreding : 14-09-2009>

CODE FORESTIER. Art. 140

Titel 11. - <Opgeheven voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bij ORD 1999, art. 43, 011; Inwerkingtreding :

Van krachtOfficiële tekst

FRNL

(Federaal) De beklaagde die het proces-verbaal van valsheid wil betichten, moet zulks op de griffie van de rechtbank verklaren vóór de in de dagvaarding bepaalde terechtzitting.

Die verklaring wordt gedaan en getekend door de beklaagde of door zijn gemachtigde, voorzien van een bijzondere en authentieke volmacht, en ontvangen door de griffier van de rechtbank; ingeval de persoon die verschijnt niet kan tekenen, wordt daarvan uitdrukkelijk melding gemaakt.

Op de voor de rechtzitting bepaalde dag verleent de rechtbank akte van de verklaring en stelt een termijn vast van ten minste drie dagen en ten hoogste acht dagen waarbinnen de beklaagde ter griffie opgave moet doen van zijn middelen tot bewijs van de valsheid, alsook van de naam, de hoedanigheid en de verblijfplaats van de getuigen die hij wil horen.

Na verloop van die termijn neemt de rechtbank, zonder dat een nieuwe dagvaarding nodig is, de middelen tot bewijs van de valsheid aan, indien zij de gevolgen van het proces-verbaal teniet kunnen doen en de valsheidsprocedure wordt voortgezet overeenkomstig de wet.

In het tegenovergestelde geval, of indien de beklaagde de hierboven voorgeschreven vormen niet in acht heeft genomen, verklaart de rechtbank dat er geen grond is om de middelen tot bewijs van de valsheid aan te nemen en beveelt dat tot berechting van de zaak zal worden overgegaan.