Rechtsbibliotheek en dossieranalyse · Oostenrijk · België · Europese Unie
LAWxPERT Aanmelden Gratis account

CODE FORESTIER. · 19 DECEMBER 1854. - BOSWETBOEK. (NOTE : Opgeheven voor het Waalse Gewest, met uitzondering van art. 177, door DWG 2008-07-15/44, art. 110, 002; Inwerkingtreding : 14-09-2009>

CODE FORESTIER. Art. 143

Titel 11. - <Opgeheven voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bij ORD 1999, art. 43, 011; Inwerkingtreding :

Van krachtOfficiële tekst

FRNL

(Federaal) Indien de beklaagde zich beroept op een recht van eigendom of op een ander zakelijk recht, beslist de rechter bij wie de klacht aanhangig is, over het tussengeschil met inachtneming van de volgende regels : de prejudiciële exceptie wordt slechts aangenomen voor zover zij gegrond is op een deugdelijk schijnende titel of op welbepaalde feiten van bezit die de beklaagde eigen zijn. De overgelegde titels of de gestelde feiten moeten elk karakter van wanbedrijf of van overtreding ontnemen aan het feit waarop de vervolging berust.

Wanneer de zaak naar de burgerlijke rechter wordt verwezen, bepaalt het vonnis een termijn van ten hoogste twee maanden, waarbinnen de partij die het prejudicieel geschil heeft opgeworpen, de zaak bij de bevoegde rechter aanhangig moet maken en moet bewijzen dat zij het nodige heeft gedaan; anders wordt tot de berechting overgegaan.

In geval van veroordeling tot gevangenisstraf wordt de tenuitvoerlegging van die straf echter geschorst gedurende een nieuwe termijn van twee maanden. Indien de beklaagde binnen die termijn beweert dat hij het nodige heeft gedaan, blijft de schorsing duren tot na de beslissing over de zaak zelf.

De geldboeten, teruggaven, schadevergoedingen en kosten zijn opeisbaar na de veroordeling. Indien het prejudicieel geschil later ten voordele van de beklaagde wordt beslist, wordt het door hem betaalde teruggegeven.