C.jud. · Gerechtelijk Wetboek (art. 58–555)
C.jud. Art. 209
TITEL VI. - (Benoemingsvoorwaarden en loopbaan van magistraten en het gerechtspersoneel). <W 2007-04- — HOOFDSTUK III. - Leden van het hof van beroep en van het arbeidshof en magistraten van het openbaar
<W 1998-12-22/47, art. 36, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000> § 1. Om tot eerste advocaatgeneraal bij het hof van beroep of bij het arbeidshof te worden aangewezen, moet de kandidaat gedurende ten minste drie jaar de functie van advocaat-generaal respectievelijk bij hetzelfde hof van beroep of bij hetzelfde arbeidshof hebben uitgeoefend.
Om tot advocaat-generaal bij het hof van beroep of bij het arbeidshof te worden aangewezen, moet de kandidaat sedert ten minste drie jaar respectievelijk het ambt van substituut-procureur-generaal bij hetzelfde hof van beroep of substituut-generaal bij hetzelfde arbeidshof hebben uitgeoefend.
§ 2. Om tot substituut-procureur-generaal bij het hof van beroep of substituut-generaal bij het arbeidshof te worden benoemd moet de kandidaat voldoen aan de voorwaarden bedoeld in artikel 207, § 3.
In geval van bekendmaking van een vacature kan de minister van Justitie aangeven dat de vacante betrekking bij voorrang wordt toegewezen aan een kandidaat die titels of verdiensten voorlegt waaruit een gespecialiseerde kennis blijkt. Deze titels of verdiensten worden onderzocht door de benoemings- en aanwijzingscommissie bedoeld in artikel 259bis-8.
Wijzigingsgeschiedenis
- (1)<W 2013-07-30/23, art. 119, 192; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
Verwijst naar
- C.jud. Art. 066
- C.jud. Art. 207
- C.jud. Art. 259bis
- C.jud. Art. 36
- C.jud. Art. 8