C.jud. · Gerechtelijk Wetboek (art. 58–555)
C.jud. Art. 298
BOEK II. - GERECHTELIJKE AMBTEN. — HOOFDSTUK II. - Onverenigbaarheden.
De leden van de hoven, rechtbanken, parketten en griffies mogen niet tegen bezoldiging optreden in een scheidsgerecht of als bemiddelaar bedoeld in het zevende deel.
In afwijking van het eerste lid, mogen de emeritus magistraten en eremagistraten optreden als bemiddelaar zoals bedoeld in het zevende deel, onder voorbehoud, wat hun erkenning betreft, van de toepassing van artikel 1726.
De plaatsvervangende magistraten bedoeld in artikel 156bis, de plaatsvervangende rechters, de plaatsvervangende raadsheren, de rechters in sociale zaken, de raadsheren in sociale zaken en de rechters in ondernemingszaken mogen in een zaak optreden als bemiddelaar zoals bedoeld in het zevende deel voor zover zij er geen enkele kennis van hebben gehad tijdens de uitoefening van hun ambt, onder voorbehoud, wat hun erkenning betreft, van de toepassing van artikel 1726. Zij mogen bovendien hun ambt niet meer uitoefenen in de dossiers waarin zij als bemiddelaar zijn opgetreden.
Wijzigingsgeschiedenis
- (1)<W 2018-06-18/03, art. 204, 219; Inwerkingtreding : 12-07-2018>