C.jud. · Gerechtelijk Wetboek (art. 58–555)
C.jud. Art. 395
TITEL IV. - Inruststelling, pensionering en emeritaat. — HOOFDSTUK II. - Pensioen en emeritaat.
Wanneer een magistraat die heeft opgehouden zijn ambt uit te oefenen ten einde het in artikel 308 bedoelde ambt te vervullen, na het uitvoeren van zijn opdracht wordt hersteld in het ambt dat hij niet verder had uitgeoefend, dan wel opnieuw wordt benoemd tot dit ambt of tot een ander hiermee gelijkstaand of hoger rechterlijk ambt, wordt het bedrag van zijn pensioen of van zijn emeritaatspensioen berekend alsof hij nooit had opgehouden zijn ambt uit te oefenen.
Dit geldt mede voor de gevallen van artikel 361.