C.jud. · Gerechtelijk Wetboek (art. 664–1385)
C.jud. Art. 937
Afdeling V. _ Getuigenverhoor. — Onderafdeling 3. _ Verhoor van getuigen.
De rechter ondervraagt de getuige, hetzij ambtshalve, hetzij op vordering van een van de partijen, over zijn graad van bloed- of aanverwantschap met de partijen, alsmede over de feiten die hem persoonlijk betreffen en invloed kunnen hebben op zijn getuigenis. De ondervraging kan met name slaan op de volgende feiten :
1° het persoonlijk belang van de getuige bij de oplossing van het geschil;
2° zijn hoedanigheid van vermoedelijk erfgenaam of van begiftigde van een partij;
3° de overhandiging van getuigschriften of de verklaringen door de getuige afgelegd betreffende het geding;
4° het contract van vennootschap, van huur van goederen of van werk dat de getuige met een partij heeft gesloten; zijn hoedanigheid van hiërarchische meerdere of mindere van een partij;
5° het geschil dat een getuige met een partij mocht hebben of de veroordeling die tegen hem mocht zijn gewezen op klacht of op verzoek van die partij.