C.pén. · 29 FEBRUARI 2024. - Strafwetboek 2024. (Inwerkingtreding : 01-09-2026)
C.pén. Art. 284
Hoofdstuk 7. Schendingen van de persoonlijke waardigheid en misbruik van de kwetsbare positie van het — Afdeling 5. Handel in menselijke organen
Verzwaard faciliteren of verspreiden van illegale praktijken en aanbieden of aanvaarden van een onterecht voordeel in het kader van de handel in menselijke organen
§ 1. Het faciliteren of verspreiden van illegale praktijken en het aanbieden of aanvaarden van een onterecht voordeel in het kader van de handel in menselijke organen worden bestraft met een straf van niveau 4 wanneer:
1° het misdrijf is gepleegd op een minderjarige of persoon in een kwetsbare toestand;
2° het misdrijf is gepleegd door een persoon die misbruik heeft gemaakt van het gezag of de faciliteiten die zijn functies hem verlenen;
3° het leven van het slachtoffer opzettelijk of door grove nalatigheid in gevaar is gebracht;
4° het misdrijf de lichamelijke of geestelijke gezondheid van het slachtoffer ernstig heeft aangetast;
5° van de betrokken activiteit een gewoonte wordt gemaakt;
6° het een daad van deelneming aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging betreft, ongeacht of de schuldige de hoedanigheid van leidend persoon heeft of niet;
7° de dader reeds werd veroordeeld voor een in deze afdeling bedoeld misdrijf, onder voorbehoud van de toepassing van artikel 60;
8° het misdrijf werd gepleegd vanuit een discriminerende drijfveer.
Voor de toepassing van het eerste lid, 7°, kan rekening worden gehouden met de veroordeling uitgesproken door een strafgerecht van een andere Staat die Partij is bij het Verdrag van de Raad van Europa tegen de handel in menselijke organen, voor een van de feiten die strafbaar zijn gesteld overeenkomstig dat Verdrag, voor zover de dader niet op minder gunstige wijze wordt behandeld dan indien de vroegere veroordeling was uitgesproken door een Belgisch gerecht.
§ 2. Deze misdrijven worden bestraft met een straf van niveau 5 wanneer:
1° het misdrijf de dood van het slachtoffer heeft veroorzaakt zonder dat het misdrijf werd gepleegd met het oogmerk te doden;
2° het een daad van deelneming aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een criminele organisatie betreft, ongeacht of de schuldige de hoedanigheid van leidend persoon heeft of niet.
Wijzigingsgeschiedenis
- (1)<W 2026-03-16/08, art. 56, 005; Inwerkingtreding : 01-09-2026>