Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies · Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies
Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies ст. 3.27.2Subsidieverstrekking
Titel 3.27 Important Projects of Common European Interest (IPCEI)
1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan één of meer in Nederland gevestigde ondernemingen of onderzoeksorganisaties voor het uitvoeren van een Nederlands belangrijk project dat gericht is op het verwezenlijken van één of meer van de Europese doelstellingen en strategieën, bedoeld in paragraaf 3.2.1, onderdeel 14, van het IPCEI-steunkader, op één van de volgende deelgebieden, zoals uitgewerkt in het toepasselijke Europese centrale narratief: a. algemene en pre-commerciële ontwikkeling van geavanceerde halfgeleidertechnologieën, voor zover het de activiteiten, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, betreft; b. onderzoek en ontwikkeling van geavanceerde halfgeleidertechnologieën, voor zover het de activiteiten, bedoeld in het tweede lid, onderdelen b, onder 1°, 2°, 3°, 4° en 7°, en c, betreft; c. onderzoek en ontwikkeling van kunstmatige intelligentietechnologieën, voor zover het de activiteiten, bedoeld in het tweede lid, onderdelen b, onder 1°, 2°, 3°, 5° of 6°, of c, betreft.
2 Een Nederlands belangrijk project omvat een samenhangend geheel van activiteiten, dat kan bestaan uit: a. één of meer van de volgende activiteiten, uitgevoerd door een subsidieontvanger die voor het uitvoeren van deze activiteiten als onderneming kwalificeert en als directe partner is vermeld in het Europese goedkeuringsbesluit: 1°. onderzoek en ontwikkeling; 2°. de eerste industriële toepassing van innovatieve producten of diensten; 3°. infrastructuurprojectactiviteiten; b. één of meer van de volgende economische activiteiten, uitgevoerd door een subsidieontvanger die voor het uitvoeren van deze activiteiten op grond van artikel 1 van het besluit als onderneming kwalificeert en niet als directe partner is vermeld in het Europese goedkeuringsbesluit: 1°. industrieel onderzoek door een onderneming; 2°. experimentele ontwikkeling door een onderneming; 3°. een haalbaarheidsstudie door een onderneming; 4°. de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur door een onderneming; 5°. de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur door een onderneming ten behoeve van de activiteiten, bedoeld in de subonderdelen 1°, 2° of 3°, die door een onderneming worden uitgevoerd binnen het desbetreffende Nederlandse belangrijke project; 6°. de bouw of het upgraden van test- en experimenteerinfrastructuur door een onderneming ten behoeve van de activiteiten, bedoeld in de subonderdelen 1°, 2° of 3°, die door een onderneming worden uitgevoerd binnen het desbetreffende Nederlandse belangrijke project; 7°. uitbreidingsinvesteringen door een middelgrote of kleine onderneming voor de aanschaf of het gebruiksklaar maken van materiële of immateriële activa ten behoeve van de oprichting van een nieuwe vestiging, de uitbreiding van een bestaande vestiging, de diversificatie van de productie van een bestaande vestiging in nieuwe, bijkomende producten, of een fundamentele wijziging van delen van of het volledige productieproces van een bestaande vestiging van deze onderneming, waarbij bij het gebruik van immateriële activa wordt voldaan aan de voorwaarden die zijn opgenomen in artikel 17, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; c. één of meer van de volgende niet-economische onderzoeksactiviteiten, onafhankelijk uitgevoerd met het oog op meer kennis en een beter inzicht door een subsidieontvanger die voor het uitvoeren van deze activiteiten als onderzoeksorganisatie kwalificeert en niet als directe partner is vermeld in het Europese goedkeuringsbesluit: 1°. industrieel onderzoek door een onderzoeksorganisatie; 2°. experimentele ontwikkeling door een onderzoeksorganisatie; 3°. een haalbaarheidsstudie door een onderzoeksorganisatie.
3 De subsidieontvanger bestaat uit: a. indien het een Nederlands belangrijk project op het deelgebied ‘algemene en pre-commerciële ontwikkeling van geavanceerde halfgeleidertechnologieën’, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, betreft: een in Nederland gevestigde onderneming die de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, uitvoert in een Europees samenwerkingsverband en, eventueel, ook in een bijhorend Nederlands samenwerkingsverband; b. indien het een Nederlands belangrijk project op het deelgebied ‘onderzoek en ontwikkeling van geavanceerde halfgeleidertechnologieën’, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft: een in Nederland gevestigde onderneming of onderzoeksorganisatie die de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, uitvoert in een Europees samenwerkingsverband en ook in een bijhorend Nederlands samenwerkingsverband van ten minste twee in Nederland gevestigde ondernemingen; c. indien het een Nederlands belangrijk project op het deelgebied ‘onderzoek en ontwikkeling van kunstmatige intelligentietechnologieën’, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, betreft: 1°. een in Nederland gevestigde onderneming, niet-zijnde een in Nederland gevestigde onderzoeksorganisatie die op grond van het tweede lid, onderdeel b, en artikel 1 van het Besluit ook als onderneming kwalificeert, die de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, zelfstandig uitvoert in een Europees samenwerkingsverband met ten minste één deelnemer die als directe partner is vermeld in het Europese goedkeuringsbesluit of, eventueel, in een bij dit Europees samenwerkingsverband horend onderliggend Nederlands samenwerkingsverband; 2°. een in Nederland gevestigde onderzoeksorganisatie, ongeacht of deze onderzoeksorganisatie op grond van het tweede lid, onderdeel b, en artikel 1 van het Besluit ook als onderneming kwalificeert, die de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, uitvoert in een Europees samenwerkingsverband met ten minste één deelnemer die als directe partner is vermeld in het Europese goedkeuringsbesluit en in een bij dit Europees samenwerkingsverband horend onderliggend Nederlands samenwerkingsverband met ten minste één andere deelnemende subsidieontvanger die als een in Nederland gevestigde onderneming kwalificeert als bedoeld onder 1°.
4 De penvoerder van een Nederlands samenwerkingsverband is: a. indien het een Nederlands belangrijk project op het deelgebied ‘algemene en pre-commerciële ontwikkeling van geavanceerde halfgeleidertechnologieën’ of ‘onderzoek en ontwikkeling van geavanceerde halfgeleidertechnologieën’, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a respectievelijk b, betreft: een onderneming; of b. indien het een Nederlands belangrijk project op het deelgebied ‘onderzoek en ontwikkeling van kunstmatige intelligentietechnologieën’, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, betreft: een onderneming of onderzoeksorganisatie.
5 Voor zover dit uit het Europees goedkeuringsbesluit volgt of naar het oordeel van de minister passend is, kan de subsidie, bedoeld in het eerste lid, aan een onderneming worden verstrekt in de vorm van: a. een subsidie met terugbetalingsverplichting; of b. een geldlening.
История изменений
- In werking sinds 2026-10-01