Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de g ст. 5Hoedanigheid van de gegevens
HOOFDSTUK II GRONDBEGINSELEN VAN GEGEVENSBESCHERMING
Persoonsgegevens die langs geautomatiseerde weg worden verwerkt, dienen:
a. op eerlijke en rechtmatige wijze te worden verkregen en verwerkt; b. te worden opgeslagen voor bepaalde en legitieme doeleinden en niet te worden gebruikt op een wijze die onverenigbaar is met die doeleinden; c. toereikend, ter zake dienend en niet overmatig te zijn, uitgaande van de doeleinden waarvoor zij worden opgeslagen; d. nauwkeurig te zijn en, zo nodig, te worden bijgewerkt; e. te worden bewaard in een zodanige vorm dat de betrokkene hierdoor niet langer te identificeren is dan strikt noodzakelijk is voor het doel waarvoor de gegevens zijn opgeslagen.