Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee ст. 3Exploratie en exploitatie
1 De Onderneming, de Staten die Partij zijn en de andere lichamen, bedoeld in artikel 153, tweede lid, letter b, kunnen bij de Autoriteit een aanvrage indienen om goedkeuring van werkplannen voor werkzaamheden in het Gebied.
2 De Onderneming kan een aanvraag indienen met betrekking tot ongeacht welk deel van het Gebied, maar aanvragen van andere lichamen of personen met betrekking tot gereserveerde gebieden zijn onderworpen aan de aanvullende eisen van artikel 9 van deze Bijlage.
3 De exploratie en exploitatie worden alleen verricht in de gebieden, aangegeven in de in artikel 153, derde lid, bedoelde werkplannen, die zijn goedgekeurd door de Autoriteit overeenkomstig dit Verdrag en de desbetreffende regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit.
4 Ieder goedgekeurd werkplan dient: a. in overeenstemming te zijn met dit Verdrag en de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit; b. te voorzien in toezicht door de Autoriteit op werkzaamheden in het Gebied overeenkomstig artikel 153, vierde lid; c. aan de exploitant, overeenkomstig de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit, het uitsluitende recht te verlenen tot exploratie en exploitatie van de aangeduide categorieën rijkdommen in het door het werkplan bestreken gebied. Indien de aanvrager evenwel een werkplan ter goedkeuring voorlegt, dat alleen de exploratiefase of de exploitatiefase bestrijkt, verleent het goedgekeurde werkplan een zodanig uitsluitend recht alleen met betrekking tot die fase.
5 Na goedkeuring door de Autoriteit heeft elk werkplan, behalve dat ingediend door de Onderneming, de vorm van een contract gesloten tussen de Autoriteit en de aanvrager of aanvragers.