Verdrag betreffende de veiligheidsvoorschriften in het bouwb ст. 8
DEEL II Algemene bepalingen betreffende steigers
1 De vloeren, bordessen, gangen en trappen moeten: a. zodanig gemaakt zijn, dat geen deel daarvan in sterke mate of ongelijkmatig kan doorbuigen; b. zodanig gemaakt en onderhouden zijn, dat, rekening houdende met de bestaande omstandigheden, het gevaar voor struikelen of uitglijden van personen zoveel mogelijk verminderd wordt; c. vrij van elke onnodige versperring gehouden worden.
2 In het geval dat vloeren, bordessen, gangen, arbeidsplaatsen en trappen op een hoogte gelegen zijn, welke een bepaalde grens, door de nationale wetgeving vast te stellen, te boven gaat: a. moet elke vloer, elk bordes en elke gang voorzien zijn van aan elkaar sluitende planken, behalve in het geval, dat andere doelmatige maatregelen, om de veiligheid te verzekeren, genomen zijn; b. moet elke vloer of bordes en elke gang een voldoende breedte hebben; c. moet elke vloer of bordes, elke gang, elke arbeidsplaats en elke trap doelmatig zijn beschut.