Rechtsbibliothek und Fallanalyse · Österreich · Belgien · Europäische Union
LAWxPERT Anmelden Kostenloses Konto

Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren · Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren

Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren Art. 21

§ 3 Aanspraken tijdens ziekte en arbeidsongeschiktheid

In KraftAmtlicher Text

1 Het tijdvak gedurende welke de rechterlijk ambtenaar en de gewezen rechterlijk ambtenaar aanspraak hebben op de doorbetaling van de bezoldiging, bedoeld in de artikelen 17, eerste lid , en 18, eerste lid, onderdeel a, tweede en derde lid , vangt aan op de eerste dag waarop: a. wegens ziekte geheel of gedeeltelijk niet is gewerkt; b. het werken wegens ziekte geheel of gedeeltelijk is gestaakt; c. wegens ziekte geheel of gedeeltelijk niet zou zijn gewerkt; of d. het werken wegens ziekte geheel of gedeeltelijk zou zijn gestaakt.

2 Voor het bepalen van het einde van het in het eerste lid bedoelde tijdvak worden perioden van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte samengeteld, indien: a. zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen; of b. de ene periode van ongeschiktheid direct voorafgaat aan en de andere periode van ongeschiktheid direct aansluit op het tijdvak gedurende welke zwangerschaps- en bevallingsverlof als bedoeld in artikel 3:1 van de Wet arbeid en zorg wordt genoten dan wel bezoldiging op basis van artikel 33m, eerste tot en met derde lid , van dit besluit wordt ontvangen, en de ongeschiktheid in deze perioden redelijkerwijs geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.

3 Het tijdvak van 26 weken gedurende welke de gewezen rechterlijk ambtenaar aanspraak heeft op de doorbetaling van bezoldiging, bedoeld in artikel 18, eerste lid, onderdeel b , vangt aan op de dag nadat het tijdvak, bedoeld in artikel 18, eerste lid, onderdeel a , is geëindigd.

4 Voor het bepalen van het einde van het in het derde lid bedoelde tijdvak van 26 weken worden perioden van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte samengeteld, indien: a. zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen; of b. de ene periode van ongeschiktheid direct voorafgaat aan en de andere periode van ongeschiktheid direct aansluit op het tijdvak gedurende welke zwangerschaps- en bevallingsverlof als bedoeld in artikel 3:1 van de Wet arbeid en zorg wordt genoten dan wel bezoldiging op basis van artikel 33m, eerste tot en met derde lid , van dit besluit wordt ontvangen, en de ongeschiktheid in deze perioden redelijkerwijs geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.

5 Bij buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging vangt het tijdvak, bedoeld in het eerste lid, aan op de dag volgende op die waarop het buitengewoon verlof is beëindigd.

Änderungsgeschichte
  • In werking sinds 2010-07-01