Omgevingsregeling · Omgevingsregeling
Omgevingsregeling Art. 12.19(wijze van bemonsteren algemeen)
§ 12.2.1 Kwaliteit van de buitenlucht
1 Bij de monitoringspunten, bedoeld in de artikelen 12.16 en 12.17 , wordt bemonsterd door de lucht in een inlaatbuis te laten stromen: a. waarbij de lucht rond de inlaatbuis vrij kan stromen; b. binnen een hoek van ten minste 270° of 180° voor metingen aan de rooilijn; en c. zonder enige verstoring van de luchtstroom in de directe omgeving van het bemonsteringsapparaat.
2 De inlaatbuis ligt tussen de 1,5 m en 4 m boven de grond, tenzij een grotere hoogte nodig is.
3 De inlaatbuis ligt zo dat wordt voorkomen dat: a. de uitstoot van bronnen rechtstreeks en zonder menging met de buitenlucht in de inlaatbuis terechtkomt; en b. de lucht daaruit opnieuw in de inlaatbuis kan komen.
4 Het derde lid, onder a, is niet van toepassing op het bemonsteren van ozon.