Verdrag inzake de bescherming van het mariene milieu in het Art. 5
1 Een buiten gebruik gestelde offshore-installatie of -pijpleiding mag niet worden gestort en een buiten gebruik gestelde offshore-installatie mag niet geheel of gedeeltelijk ter plaatse in het zeegebied worden achtergelaten zonder een vergunning, die per geval wordt verleend door de bevoegde autoriteiten van de desbetreffende Verdragsluitende Partij. De Verdragsluitende Partijen zien erop toe dat hun autoriteiten bij de verlening van bedoelde vergunningen uitvoering geven aan de desbetreffende toepasselijke besluiten, aanbevelingen en alle andere akkoorden die ingevolge het Verdrag zijn aangenomen.
2 Een dergelijke vergunning mag niet worden afgegeven indien de buiten gebruik gestelde offshore-installatie of -pijpleiding stoffen bevat die ertoe leiden of zouden kunnen leiden dat de gezondheid van de mens in gevaar wordt gebracht, het leven in zee en de mariene ecosystemen worden geschaad, de mogelijkheden tot recreatie worden aangetast en ander rechtmatig gebruik van de zee wordt gehinderd.
3 Een Verdragsluitende Partij die voornemens is het besluit te nemen een vergunning af te geven voor het storten van een buiten gebruik gestelde offshore-installatie of -pijpleiding die in het zeegebied wordt geplaatst na 1 januari 1998, deelt de andere Verdragsluitende Partijen via de Commissie mede om welke redenen zij deze storting aanvaardt, ten einde overleg mogelijk te maken.
4 Elke Verdragsluitende Partij houdt overzichten bij van buiten gebruik gestelde offshore-instaliaties en -pijpleidingen die zijn gestort en van buiten gebruik gestelde offshore-installaties die ter plaatse zijn achtergelaten in overeenstemming met de bepalingen van dit artikel, alsook van de datum, plaats en wijze van storting, en brengt hierover verslag uit aan de Commissie.