Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie Art. 4
1 De in artikel 2 bedoelde beperkingen en de beperkingen die op grond van artikel 6 worden toegepast, worden door de exporterende Leden beheerd. De importerende Leden zijn niet verplicht leveringen te aanvaarden die de beperkingen overschrijden waarvan op grond van artikel 2 mededeling is gedaan of die op grond van artikel 6 worden toegepast.
2 De Leden komen overeen dat de uitvoering en het beheer van de beperkingen die op grond van deze Overeenkomst zijn medegedeeld of worden toegepast door de invoering van wijzigingen, zoals wijzigingen in de praktijk, regels, procedures of de indeling van textiel- en kledingprodukten, met inbegrip van de wijzigingen die verband houden met het Geharmoniseerd Systeem, het evenwicht tussen rechten en plichten van de betrokken Leden op grond van deze Overeenkomst niet mag verstoren; dat deze wijzigingen evenmin van nadelige invloed mogen zijn op de toegangsmogelijkheden waarover een Lid beschikt en op de volledige benutting van deze toegangsmogelijkheden noch de handel op grond van deze Overeenkomst mogen verstoren.
3 De Leden komen overeen dat wanneer een produkt dat slechts deel uitmaakt van een beperking op grond van artikel 2 voor integratie wordt aangemeld, een eventuele wijziging in het niveau van die beperking het evenwicht tussen de rechten en plichten van de betrokken Leden op grond van deze Overeenkomst niet mag verstoren.
4 De Leden komen overeen dat, wanneer de in de leden 2 en 3 genoemde wijzigingen noodzakelijk zijn, het Lid dat deze wijzigingen invoert het betrokken Lid of de betrokken Leden daarvan in kennis stelt en vóór de inwerkingtreding van deze wijzigingen zo mogelijk overleg pleegt met het getroffen Lid of de getroffen Leden, ten einde een voor alle partijen bevredigende oplossingen te vinden over passende en billijke aanpassingen. De Leden komen voorts overeen dat wanneer het niet mogelijk is vóór de inwerkingtreding van de wijziging overleg te plegen, het Lid dat deze wijziging invoert, op verzoek van het getroffen Lid, zo mogelijk binnen 60 dagen overleg zal plegen met de betrokken Leden om een voor alle partijen bevredigende oplossing te vinden over passende en billijke aanpassingen. Wordt geen voor alle partijen bevredigende oplossing gevonden, dan kan een betrokken Lid de zaak aan het OST voorleggen dat, overeenkomstig artikel 8, aanbevelingen kan doen. Mocht het OTT geen gelegenheid hebben gehad een geschil over dergelijke wijzigingen te onderzoeken die voor de inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst zijn ingevoerd, dan wordt de zaak door het OST onderzocht overeenkomstig de desbetreffende MVO-regels en -procedures.