anc. C.civ. · Burgerlijkwetboek (art. 1–515)
anc. C.civ. Art. 216
TITEL V. - HET HUWELIJK. — HOOFDSTUK VI. - WEDERZIJDSE RECHTEN EN VERPLICHTINGEN VAN ECHTGENOTEN.
<W 14-07-1976, art. 1> § 1. Iedere echtgenoot heeft het recht een beroep uit te oefenen zonder de instemming van de andere echtgenoot.
Indien deze evenwel oordeelt dat hieraan een ernstig nadeel verbonden is voor zijn zedelijke of stoffelijke belangen of voor die van de minderjarige kinderen, heeft hij het recht zich tot de familierechtbank te wenden.
De rechtbank kan de uitoefening van het beroep afhankelijk stellen van een voorafgaande wijziging van het huwelijksvermogensstelsel van de echtgenoten.
Het bepaalde in de twee vorenstaande leden is niet van toepassing op de uitoefening van openbare mandaten.
§ 2. De ene echtgenoot mag in zijn beroepsbetrekkingen de naam van de andere alleen met diens instemming gebruiken.
De instemming kan alleen om gewichtige redenen worden ingetrokken. Tegen intrekking kan de echtgenoot opkomen bij de familierechtbank.
Wijzigingsgeschiedenis
- (1)<W 2013-07-30/23, art. 25, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>