C.i.cr. · Wetboek van Strafvordering (art. 1–…)
C.i.cr. Art. 21
HOOFDSTUK IV. - OORZAKEN VAN VERVAL VAN DE STRAFVORDERING EN VAN DE BURGERLIJKE
Behoudens in de gevallen bedoeld in artikel 21bis verjaart de strafvordering, te rekenen van de dag waarop het misdrijf is gepleegd, door verloop van dertig jaren, twintig jaren, vijftien jaren of tien jaren, naargelang dit misdrijf een misdrijf vormt strafbaar met een straf van niveau 8, een misdrijf strafbaar met een straf van niveau 7, een misdrijf strafbaar met een straf van niveau 4, 5 of 6, of een misdrijf strafbaar met een straf van niveau 1, 2 of 3.
De dag waarop het misdrijf is gepleegd, is in de termijn begrepen.
De verjaringstermijnen die worden bepaald in het eerste lid blijven ongewijzigd indien de straf wordt verminderd of gewijzigd wegens verzachtende omstandigheden.
In geval van eendaadse samenloop wordt de verjaring geregeld overeenkomstig de termijn eigen aan ieder misdrijf.
Wanneer verschillende misdrijven de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van eenzelfde delictueel opzet, neemt de verjaringstermijn een aanvang vanaf het laatste bewezen geachte feit, op voorwaarde dat tussen de verschillende feiten geen termijn is verlopen gelijk aan of langer dan de verjaringstermijn.
Wijzigingsgeschiedenis
- (1)<W 2024-04-09/07, art. 32, 054; Inwerkingtreding : 28-04-2024>
- (2)<W 2026-03-11/03, art. 24, 056; Inwerkingtreding : 01-09-2026>